|
Omhoog, 22 juli 2001
Gesignaleerd
Triniteitsdag
Afgelopen maandag 16
juli was het ‘Triniteitsdag’ in de VS. Onvoorstelbaar: op die dag werd de 56e
verjaardag gevierd van de eerste atoomproef, de geboorte in feite van het
atoomtijdperk. Kort daarop werd de eerste atoombom op Jap[an geworpen.
Wereldwijd werden mensen opgeroepen om even stil te staan bij dit misbruik van
de Triniteit, om zich ervoor in te zetten om gezamenlijk kernenergie en
kernwapens af te schaffen.
Nieuw kerkgebouw
Onder grote
belangstelling vond op zondag 15 juli de feestelijke opening plaats van de
EBGS-kerk te Pontbuiten. In een arme buurt, met veel eigen inzet en hulp van
buiten, was het dan toch maar gelukt een eigen kerkgebouw neer te zetten en
officieel te openen. De boodschap die gegeven werd gold de onderlinge
samenwerking, het goede voorbeeld voor de jeugd en dat gedrag een betere
maatstaf is dan woorden.
Carnaval (1)
Er wordt heel
verschillend tegen aan gekeken: het Carnaval als verderfelijk instituut, of als
een gezonde vorm van creatieve ontspanning. Wie alleen op het eerste let, heeft
geen tijd voor het tweede. Het kan ook anders gesteld worden: wie hard werkt aan
gezonde vormen van creatieve ontspanning, vooral voor jongeren, ontmoet geen
problemen met verderfelijke instituten.
Carnaval (2)
Er is met
verontwaardiging gereageerd op het initiatief van Sticas en haar augustus
carnaval festijn. Het is te wensen dat dezelfde verontwaardiging ook
gedemonstreerd wordt op een grote voedingsbodem van immoraliteit, geweld en
criminaliteit: de toenemende armoede.
Sport (1)
Een zaterdag
Streepy-stadion laat een stukje hartverheffende Surinaamse cultuur zien: een
compleet programma voor de hele dag, met U17 en U20 jongeren. Goede discipline,
goede teamgeest en een harde strijd. En dat ondanks de hitte, de afwezigheid
van kleedkamers en douches. Als het aan de jongeren ligt zijn er niet zoveel
problemen. Die lijken meer te ontstaan in de besturen rond geld, eer en
arrogantie.
Sport (2)
Bepaalde sportclubs
hebben weinig problemen: onderhouden speelvelden, een tribune, consumpties en
veel spel. Andere clubs hebben van alles tekort. Bij de eerste clubs komen
jongeren flink aan bod, bij de andere komen zij op de tweede plaats.
Viering eerste christelijke kerk in
Suriname 350 jaar
Op 23 juli 2001 is
het precies 350 jaar geleden dat de eerste christelijke gemeente in ons land
officieel werd ingesteld. Dat gebeurde te Torarica, nabij het huidige
Jodensavanna, door Lord Willoughby, graaf van Parham, gouverneur van Barbados.
Hij had ons grondgebied net opgeëist voor de Engelse koning, en gaf na enige
tijd een officiële status aan de kerkelijke bijeenkomsten van de Engelsen die
zich daar waren komen vestigen. Zij allen behoorden tot de Anglicaanse kerk,
vanaf toen verenigd in de St. Bridget parochie. St.Bridget is een Zweedse
prinses, die van 1303-1373 leefde en in 1381 reeds heilig verklaard werd door
paus Bonifacius IX. In 1999 werd zij door paus Johannes Paulus II benoemd tot
beschermer van de heiligen. Haar dochter is de heilige Catharina van Zweden.
Met de vestiging van
deze parochie werd de eerste christelijke kerk in de Guyana’s gevestigd, de
eerste formele godsdienstige organisatie ook, naast de bestaande inheemse
religieuze tradities.
Op zondag 22 juli a.s
zal in de St.Rosakerk een dankdienst worden gehouden. De Anglicaanse kerk viert
in dankbaarheid het 350 jarig bestaan van haar gemeente in Suriname en van haar
kerk in de Guyana’s. De Anglicanen in ons land zijn sinds die tijd steeds op
verschillende plaatsen bijeen gekomen. Eerst te Torarica dus, later in het
gebouw van het Hoge Gerechtshof in Paramaribo, aan de Keizerstraat, de
Domineestraat, en sinds 1950 aan de Hogestraat nr 44.
Er worden vele gasten
verwacht bij deze viering; er is ook een felicitatie ontvangen van koningin
Elisabeth. De kerk van Suriname en de hele Surinaamse gemeenschap is een
omstandig programma aangeboden ter herdenking van het 350 jarig bestaan van de
Anglicaanse kerk in onze nabije regio. Het bestaat uit de volgende onderdelen:
Vrijdag 20:
Opening tentoonstelling en receptie te Fort Zeelandia
Zaterdag 21:
Cultureel Concert in Thalia
Zondag 22:
Heilige mis in de St. Bridgetkerk, 9.00 uur
Zondag 22: Dankdienst
in de St.Rosakerk, 16.00 uur, gevolgd door een receptie
Maandag 23:
Heilige mis in de St. Bridget kerk
Maandag 23:
Officiële carnet-tekening ceremonie, 10.00 uur
Maandag 23:
Open huis vanaf 12.00 uur
Leden van het bisdom
Paramaribo zijn speciaal uitgenodigd om de dankdienst in de St.Rosa bij te wonen
om, zoals het Comitee Herdenking 350-jarig bestaan het formuleert: ‘te delen in
de dank en de lof aan God dat de Anglicaanse parochie en kerk van St.Bridget
haar baanbrekende christelijke en geestelijk missie in al deze 350 jaar heeft
kunnen vervullen’.
De St. Bridget
parochie maakt nu deel uit van de Anglicaanse kerk van Guyana. Zij heeft een
plaatselijke voorganger in de persoon van S.Taylor, en een priester, Sydney
Thomas, die eens per maand uit Guyana overkomt, terwijl bisschop Randolph George
minstens eens per jaar ons land bezoekt. Hij is bisschop van de Anglicaane kerk
van Guyana en aartsbisschop van de Anglicaane kerk van de West Indies. Leden van
de St.Bridget’s parochie zijn van verschillende nationaliteit: Surinamers,
Guyanezen, Amerikanen en andere.
De tentoonstelling in
Fort Zeelandia wordt in het bijzonder aanbevolen, omdat daarin tot uiting is
gebracht hoe omvangrijk het gemeenschappelijk erfgoed van Guyana en Suriname in
feite is. Een zaak die volgens de voorzitter van het HerdenkingsComitee,
S.Taylor, veelal te weinig aandacht krijgt. Hier ligt een belangrijke
verbindende factor van samenwerken en samenleven van Surinamers en Guyanezen.
Surinaams Internationaal Carnaval
bekritiseerd
De STICAS,
Suriname-Trinidad/Tobago International Carnaval & Arts Stichting, is met het
initiatief gekomen om een Internationaal Carnavals feest voor ons land te
organiseren. Het gaat dan om een jaarlijks terugkerend feest, waarbij met een
demonstratie van onze culturen - in de veelzijdige uitingen daarvan - een sfeer
geschapen wordt, die uitnodigend moet zijn voor eigen mensen en voor
buitenlanders om daar deel van uit te willen maken. Aan de ene kant betreft het
hier dus een presentatie van de culturele rijkdom van ons land, in alle vormen
ervan - en dat ook heel materieel gedacht: aardewerk, batikwerk, kleding,
vlechtwerk, CD’s met creoolse, javaanse, indiaanse, hindoestaanse, bosneger en
andere muziek, e.d.-. Aan de andere kant gaat het om recreatie, plezier en
feest.
De presentatie van
dit initiatief is erg ongelukkig uitgevallen. Daarin werd weinig aandacht
geschonken aan de culturele rijkdom van ons land en aan gepaste vormen van
collectief vermaak. Het culturele aspect werd op het niveau behandeld van
jorka’s, leba’s, bakroes en schrikwekkende voorbeelden uit ons verleden, terwijl
het collectieve vermaak gevonden werd in minimale kleding en bodypaint.
Op deze wijze van
aanbod van het initiatief door Sticas is fel gereageerd vanuit kerkelijke hoek.
Men legde direct verband met uitwassen van carnavals van elders, en met kwade
invloeden van Internet en andere media. De lijn naar immoraliteit en
criminaliteit werd gelegd. De Evangelische Broedergemeente, de Unie van
Baptisten Gemeenten, de Federatie van Volle Evangelie Gemeenten en de
Pinksterzending in Suriname hebben gezamenlijk een schrijven gericht aan
president drs. R.R. Venetiaan met het verzoek om de voorgenomen acties van
STICAS te doen staken.
Bisdom Paramaribo
Mgr Aloysius Zichem
richtte zich namens het bisdom Paramaribo eveneens in een schrijven tot de
president, onderstreepte de bezorgdheid van genoemde kerken, maar maakte daar
een kanttekening bij, namelijk dat het carnavalsfeest, gevierd binnen de perken
van de normen en waarden van goed fatsoen, een gezonde en mooie vorm van
creatieve ontspanning, spel en cultuuruiting kan zijn. Echter is het, zo stelde
hij in zijn schrijven aan de president: (vanuit de manier waarop het festival
wordt aangekondigd, vooral met betrekking tot de aanbevolen kleding,
verwachtbaar dat men tegen alle waarden en normen van goed fatsoen in tot
excessen vervalt. Hierbij denken wij met zorg aan de verderfelijke invloed die
zulk een manifestatie op onze jeugd zal hebben.(
(Over het uitbeelden
van jorka’s, bakru’s en leba’s in parades en andere onderdelen van het festival
kunnen wij stellen dat het omgaan met deze elementen uit onze cultuur zeer
gevoelig ligt in onze gemeenschap en dat de organisatoren blijkbaar onvoldoende
besef hebben van de mogelijke emotionele en geestelijke gevolgen hiervan.(
Mgr Zichem spreekt
dan de hoop uit dat er van overheidswege erop wordt toegezien (dat bij deze
carnavalsviering de algemeen aanvaarde normen en waarden van zedelijkheid in
acht worden genomen, zodat deze overigens geaccepteerde vorm van vermaak niet
uit dehand loopt.( Hij verwijst daarbij naar de voorbeeldige wijze waarop de
Avondvierdaagse 2001 door het bestuur van de Bedrijven Vereniging Sport en Spel
werd geleid, waardoor tijdig en resoluut werd ingegrepen tegen opkomende obscene
gedragingen.
Nieuwe economie vereist aanpassing
kerkelijke sociale leer
Tegen de
achtergrond van de G-8 top in Italië deze maand verklaarde kardinaal Van Thuan,
de voorzitter van de Pauselijke Commissie Rechtvaardigheid en Vrede, dat de
nieuwe economie nieuwe uitdagingen stelt aan de sociale leer van de katholieke
Kerk waarop ze een antwoord moet geven.
Met zijn uitlatingen
reageerde de Vietnamese kardinaal op de pauselijke oproep van zondag tot de
(rijkste en technologisch meest ontwikkelde landen om de schreeuw te horen van
zovele arme mensen, die hun door God gegeven rechten vragen(. Volgens de paus
staat het geloof ons niet toe onverschillig te blijven voor zo’n ‘indringende
vraag van wereldwijde omvang’. De wereldleiders, zo voegde de paus er in het
vooruitzicht op de G8-top aan toe, moeten geleid worden door (de zoektocht naar
het gemeenschappelijke welzijn van heel de wereldbevolking(. De huistheoloog
van het Vaticaan, pater Georges Cottier, waarschuwde ervoor om die uitspraken
van de paus niet voor politieke doeleinden te misbruiken. Giulio Albanese van
het persagentschap Misna stelde dan weer in een reactie dat de kloof tussen
Noord en Zuid steeds groter wordt. Daarbij blijft Afrika op het vlak van de
economische ontwikkeling het sterkst achterlopen. Kardinaal Van Thuan
publiceerde over datzelfde onderwerp een volledig boek, waarvan begin deze maand
een samenvatting verscheen in L’Osservatore Romano. Daarin schrijft Van Thuan
dat de nieuwe informatietechnologie ongetwijfeld een fundamentele rol speelt in
dit stadium van economische ontwikkeling. Dat biedt enorme mogelijkheden, maar
impliceert ook risico’s zoals werkloosheid, marginalisering en een extreme
onveiligheid op de werkvloer. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor de isolatie
van individuen, omdat de computer hen van de sociale interactie kan weghalen.
(Dit alles stelt een uitdaging voor de Kerk en roept haar op tot een nieuw
antwoord dat een aanpassing van de katholieke sociale leer vereist (() De grote
uitdaging ligt erin te verklaren hoe de ‘nieuwe economie’ ten dienste van de
mensheid kan staan, eerder dan dat de mens de economie dient(. Dat vraagt
volgens kardinaal Van Thuan een onderscheid tussen globalisering en globalisme:
de globalisering van de economie is een natuurlijk proces, maar globalisme is
‘een ideologie die kan herleid worden tot winst en profijt’. Volgens kardinaal
Van Thuan ligt de grote uitdaging erin de hulpbronnen ten dienste te stellen van
de armsten en samen te werken voor de uitbouw van het algemene welzijn. Dat
impliceert dat de rijke landen hun kennis en technologie overdragen aan de
armste landen, opdat die in staat zouden zijn hun echte noden aan te pakken.
Hoofdredacteur OMHOOG 70 jaar
Een veelzijdig innoverend leven
Pater Sebastiaan
‘Bas’ Mulder staat op vertrek wordt alom verteld. De viering van zijn
zeventigste verjaardag werd mede in dat perspectief gesteld. Maar wie Bas Mulder
de meer dan 40 jaar - een heel mensenleven - van zijn verblijf in ons land
gevolgd heeft, begrijpt dat hij voorlopig nog niet zal opstappen. Hij heeft nog
iets af te maken, zoals hij heel wat zaken begon, en die ook afmaakte voor ze
over te dragen aan anderen om voort te zetten. Naast zijn ‘gewone werk’ als
pastoor van twee parochies, hoofdredacteur OMHOOG en verschillende
bestuursfuncties binnen ons bisdom en binnen zijn Congregatie heeft hij de
begeleiding van de nieuwe twee Braziliaanse priesters in ons bisdom. Daar trekt
hij nog minstens een jaar voor uit ‘totdat zij voldoende Nederlands spreken,
zich gemakkelijk bewegen in ons bisdom en er zich helemaal in thuis voelen’. Hij
heeft het project van hun komst mee helpen voorbereiden, en zal het nu een goede
afwikkeling moeten geven.
Dat is min of meer
het patroon van werken geweest van Bas Mulder in ons bisdom. En dat werd voor
het goede oog al snel zichtbaar kort na zijn komt in ons land in 1959. Hij was
kort daarvoor priester gewijd in Nederland, liep stage maar kreeg van zijn
overste opeens te horen dat hij zich moest klaar maken om naar Suriname te
gaan. Zo ging dat toen. Geen overleg, geen voorkeursuiting, pure gehoorzaamheid
aan het gezag van de Congregatie. Mulder bleef korte tijd bij de kathedraal en
werd toen als kapelaan geplaatst bij de Boniface parochie. Binnen de kortst
mogelijke tijd kwam daar een stukje jeugdwerk van de grond. Iets wat elders in
het bisdom niet bestond. In 1961 werd hij toen teruggeplaatst naar de kathedraal
met de specifieke opdracht om zich te wijden aan het jeugdwerk van daar en in
bredere zin: van het bisdom.
(Het was de tijd van
het Tweede Vaticaans Concilie in Rome en van de opstand tegen het gezag in de
westerse samenleving. Er kwam veel ruimte in de kerk en in de samenleving.
Vooral ook wat de jeugd betreft. Er was daarvoor eigenlijk niets voor de jeugd.
Wel in streng georganiseerd verband voor nette jongens, zoals in het Patronaat,
met clubmiddagen en contributie. Maar aan jongeren die dat niet konden
opbrengen, en die vanuit een achterstandpositie deelnamen aan het
maatschappelijke leven, werd er weinig geboden. Er was geen open jeugdwerk, geen
radioprogramma’s voor en met de jeugd, geen jeudgsongfestival, tiener muziek en
tienermode, e.d.. Allemaal zaken die voor ons nu alledaags zijn. Maar die toen
tegen de verdrukking in eigenlijk van het strenge burgerlijke gezag van de
samenleving hun plaats moesten veroveren. Bas Mulder heeft daar een belangrijke
innoverende rol bij gespeeld. Het eerste songfestival bijvoorbeeld werd in het
Patronaat gehouden.
Media
In het Apintie
programma ‘To the Point’ van woensdag 11 juli, dat onder de titel van ‘een
welbesteed leven’ speciaal aan Bas Mulder gewijd was, werd hem gevraagd wat hem
in zijn werk vooral inspireerde. Waardoor werd hij gedreven in zijn werk? Mulder
ging in zijn antwoord op die vraag terug naar zijn eigen jeugd, de oorlogstijd
in Nederland. Een tijd van geweld en onrecht, en van waarheid ook, omdat daar
vaak maskers van mensen afvielen. Een periode die wij allen in de jaren tachtig
en daarna hebben beleefd. Hij had vanuit zijn oorlogservaring voor zichzelf
besloten om zich in zijn leven vooral in te zetten voor slachtoffers van
onrecht, vooral de armen in de samenleving. Mensen die in de verdrukking zijn
geraakt. En onder hen vooral de jongeren, om hun voorzieningen te verlenen voor
hun zelfontplooiing en om hun waardigheid te geven. Een opvoedkundige opdracht
die hij met name op het gebied van de sport heeft waar trachten te maken. Vanuit
het Patronaat werden zo aanzetten gegeven voor sport voor jeugd en jongeren, de
junior en aspirantklassen in basketbal en volleybal: het kwam met tafeltennis
ook allemaal van de grond, en het Patronaat heeft daar een niet geringe bijdrage
aan geleverd.
In 1967 werd de STVS
opgericht, de eerste televisie van ons land. Het begon voor het Comité
Christelijke Kerken eigenlijk als radioprogramma met priesters en dominees die
netjes hun bijbellezingen hielden. Mulder begon er beweging in te brengen. Hij
begon woorden die zo gesproken werden te visualiseren, en was daarbij de eerste
in ons land die een draaiboek voor elk programma opstelde. Daarmee valt hij nu
nog soms op. Als hij komt onderhandelen over een programma voor de radio of de
televisie, dan heeft hij altijd al zijn draaiboek achter de hand. Hij laat
steeds zien dat je in dat soort zaken direct het goede voorbereidende werk moet
doen om tot resultaten te komen.
Het werd in ‘To The
Point’ door zijn pupillen ook weer benadrukt: Mulder bereidt zijn werk altijd
zorgvuldig voor, en eist dat in feite van iedereen met wie hij samenwerkt.
Zo ontwikkelde zich
het beeld van de pastor dat alom in onze samenleving bekend is geworden: de
pastor van de jeugd en van de media. En dat maakte samen inderdaad een groot
deel van zijn werk uit, waar voor hij al vroeg ook de waardering van de
samenleving ontving. Voor 1972 werd hij uitgeroepen tot Man van het Jaar, om
zijn veelzijdige bijdrage aan onze gemeenschap als priester, opvoeder van de
jeugd, sportleider en televisie commentator.
Overste
Voor hemzelf was 1973
een belangrijk jaar. Hij werd gekozen tot overste van zijn Congregatie in ons
land. De eerste keer ook dat de overste gekozen werd, en niet, zoals tevoren,
werd aangesteld van hogerhand. Hij is het bij elkaar 18 jaar gebleven. Een
functie die hem in de wereld bracht, in Rome, op eilanden van de regio, en op
diverse andere plaatsen in de wereld. Het heeft hem mentaal en geestelijk erg
goed gedaan. De wereld ging voor hem open, en hij vertaalde dat weer tot
initiatieven in zijn dagelijks werk. Want wat hij meemaakt wil hij graag met
anderen delen. Vandaar zijn rubiek ook in OMHOOG: de Wereldkerk, en vandaar ook
de deelname aan de Wereldjongerendagen, vorig jaar nog in Rome.
Helaas kon een ander
initiatief in dit verband niet uitgevoerd worden. Hij was in 1982 in overleg met
Apintie om tot een nieuwe aanpak van godsdienstige uitzendingen te komen. Meer
in de wereld van vandaag en meer gericht op de schepping van een wereld
gekenmerkt door vrede en gerechtigheid. Toen kwam december 1982 en de beknotting
van de vrije meningsuiting.
Toekomst
Hoe Mulder aankijkt
tegen de toekomst van ons land? Hij toonde zich in het televisieprogramma niet
optimistisch. De meeste bevolkingsgroepen in ons land, zo stelde hij, zijn tegen
hun zin hier gekomen, met als gevolg dat velen een ambivalente houding jegens
hun verblijf in ons land hebben. Velen zijn ook onder weg om ons land te
verlaten, dat blijkt jaarlijks weer rond de eindexamens, als onder de best
geslaagden er weer een aantal is dat reeds voor Nederland of elders geboekt
heeft.
Mulder legt er verder
de nadruk op dat mensen hier steeds zijn gekomen om te roven. Om weg te halen.
Een gedrag dat gebleven is ook na de onafhankelijkheidswording. Niet een houding
om bij te dragen aan de ontwikkeling van dit land. Geld wordt elders op
rekeningen gezet. En intussen gaat de globalisering verder. Grenzen worden
afgebroken, er komen steeds meer ‘vreemdelingen’ naar ons toe: Haďtianen,
Chinezen, Brazilianen. En dan zijn er nog andere meer zorgwekkende
ontwikkelingen, zoals de toename van het geweld, van de criminaliteit en van
Aids. Er wordt volgens Mulder te lakoniek over heen gestapt. Terwijl het om zeer
ernstige ontwikkelingen en trends gaat.
Maar als de ernst
hiervan eenmaal wordt ingezien en als daarnaar gehandeld wordt, zijn er wonderen
mogelijk. Zo ervaart Mulder de loop van zijn eigen leven. Wie het leven ernstig
neemt, en dan vooral de noden van de buitengeslotenen, en wie zich wil wijden
aan de oplossing daarvan, die zal zich gedragen weten. Voor hem is toekomst:
Want God laat niemand in de steek die het opneemt voor zijn mensen.(
Het concubinaat kerkelijk bevestigd
Met instemming heb ik
het artikel in OMHOOG van zondag 15 juli jl gelezen onder de titel: 'Pleidooi
voor kerkelijke erkenning van het concubinaat' als deel
van de afstudeerscriptie van Milton George. Ik citeer uit boven vermeld artikel:
'Ik pleit ervoor dat het sacramentele karakter van het
Afro-Caraďbische concubinaat aanvaard zou kunnen worden via een kerkelijke
erkenning van het Afro concubinaat, als een rechterlijke gewoonte 'als
een zogenaamde Cosuetudo Centenaria immemorabilis enz'.
Einde citaat.
Ter gelegenheid van
de herdenking 100 jaar afschaffing van de slavernij schreef ik een artikel in
OMHOOG van 30 juni 1963 met als aanhef: ‘Cultuur en Liturgie: verweving van
kultuur elementen in de Liturgie noodzakelijk’.
Citaat: 'Wie
in de gelegenheid is geweest om de Afrikaanse Misa Luba te beluisteren, zal zich
direct geplaatst voelen tegen het diep bruisende dat kenmerkend is voor de
Afrikaanse muziek. Omdat de trom als kultuurinstrument zo’n belangrijke rol
speelt in het leven van de Afrikaanse mens, heeft de kerk juist de taak bij de
uitoefening van de Eredienst om stimulerend te werk te gaan. Inschakeling van
instrumenten hierbij zal het begrip verhelderen dat de Kerk niet voor een
bepaalde kultuur is, doch zich zoveel mogelijk aan kulturele manifestaties moet
aanpassen. Zonder een al te grote ommekeer in onze kerk te willen brengen, zijn
wij van oordeel dat het embargo tegen verschillende Surinaamse (bedoeld werd
Afro-Surinaamse) uitingen in al hun nuanceringen opgeheven dient te worden'.
Einde citaat.
Die uitspraak was in
1963 misschien zeer gedurfd, U zal het evenwel met mij eens zijn dat de
inschakeling van de trom bij de kerkzang wat ‘leven in de brouwerij’ brengt.
Met betrekking tot
het pleidooi van Milton George voor een kerkelijke erkenning van het concubinaat
het volgende. Bij de openbare behandeling van de Ontwerp-landsverordening
ingediend door de toenamlige minister van Justitie, Dr. J.H.Adhin, ‘Wijziging
van de Aziatische huwelijkswetgeving( in september 1973 was ik als lid van de
PSV-fraktie de grootste pleitbezorger voor de erkenning van het concubinaat door
de regering. Wellicht als produkt van een door de kerk ‘verbonden samenleving’,
beschouwde ik de uitsluiting van kinderen, geboren uit die verhouding, voor de
ontvangst van de zg. Kindertoeslag als een levensgroot onrecht.
De enige bijval,
welke mij ten deel viel, kwam van Cyriel Richard Karg, in zijn weekblad ‘Sonde
Spikri’. Wat toen opgevat werd als een stuk ketterij, wordt nu vast gelegd in de
CAO van werknemers, die een vaste en duurzame relatie hebben met een en dezelfde
vrouw of concubine, terwijl de Overheid dat beginsel ook erkent. Ik juich daarom
die gedurfde stap van Milton George van harte toe omdat handhaving van dat
verbod vaak indruist tegen dieper liggende kultuuropvattingen. Terwijl de Kerk
zo hard en soms mensonvriendelijk optrad, zelfs tegen echtparen, die voorbeeldig
leefden in concubinaat - weliswaar niet voor de Kerk en Overheid getrouwd - was
de concubinaatsverhouding voor pater Weidmann, een man die veel verder keek dan
de Kathedraal en het vroegere gebouw van de Staten, nooit een beletsel geweest
om sacramenten aan die mensen toe te dienen.
E.Wijntuin
P.S. Ik sluit mij
gaarne aan bij allen die bezorgdheid uitspreken over de nieuwe vorm van
Carnavalsbeleving. Nu al durf ik mijn hand in het vuur te steken, dat de
deelnemers aan die vertoning niet de weerspiegeling zullen zijn van onze
multiraciale samenleving. U weet zeker, wie daar de boventoon zullen voeren.
Pastoraal voor iedereen - 75
Reina Adalien Nassy-Chan: het wonder van het luisteren
In deze rubriek wordt
de pastoaal van ons bisdom en ons land beschreven. Een stukje geloofspraktijk:
al die mensen die geďnspireerd door hun geloof tijd en energie aan hun
medemensen geven, heel afwisselend van aard, omvang en duur. Ieder naar zijn
eigen talenten. Niet alleen als beschrijving, ook ter navolging: dat het mensen
aan het denken mag zetten: mannen en vrouwen, ouderen en jongeren. Er is immers
behoefte aan ‘werkers in de wijngaard’
Bijna elke
maandagochtend zit mw Reina Nassy bij de Kapel aan de Gravenstraat 14.
‘Spreekuur Dienst Welzijnszorg’ heet het al jaren in de kerkberichten van de
Petrus & Paulusparochie. Ongeveer 15 jaar nu. Maar dat betekent met haar 88 jaar
nu dat ze dit werk op vrij hoge leeftijd begon, een leeftijd waarop de meeste
mensen zaken afbouwen of beëindigen. Toch was het bij haar ook niet echt een
begin toen. Van het een kwam het ander.
Het begon jaren
daarvoor. Zr Anastasia nam haar mee naar wat toen het LPI en nu het PCS,
Psychiatrisch Centrum Suriname heet. Deze liet haar iets van haar werk zien waar
ze dan zelf geleidelijk aan vertrouwd mee raakte: in gesprek gaan namelijk met
mensen met problemen. (Ik heb veel van haar geleerd,( benadrukt Reina Nassy,
(een fantastische vrouw. Ze had een eindeloos geduld, voor iedereen, ze kon als
geen ander luisteren; nooit had iemand het gevoel dat ze teveel waren. Ze had
altijd tijd voor mensen. Ze ging ook met hen in gebed, op een manier dat het hen
bemoedigde. En wat je dan zag gebeuren was dat mensen een groot vertrouwen in
haar stelden, ze vertrouwden haar al hun problemen toe, en het luisteren alleen
bleek een effectief geneesmiddel te zijn.(
Reina Nassy is
geboren en getogen in Suriname, en geboren en gedoopt ook in de katholieke kerk,
maar haar leven heeft zij voor een belangrijk gedeelte buiten Suriname en
buiten de katholieke kerk doorgebracht. Althans, voor wat de kerk betreft, niet
op de intensieve wijze waarop zij daar nu in participeert. Haar man was arts,
Surinaams geschoold eerst, met als werkterrein de Antillen. Ze kent ze bijna
allemaal: Saba, St. Maarten, St Eustatius en Curacao, want daar heeft haar man
als arts gewerkt. Met een Nederlandse periode daar tussen in, en aan het eind
daarvan. (Er was een moment,( legt Reina Nassy uit, (dat mijn man naar
Nederland ging om zijn artsexamen over te doen. Hij zei dat er iets aan zijn
opleiding mankeerde, hij wilde dat niet missen, en nam het zekere voor het
onzekere door gewoon het artsexamen over te doen. Er was later eigenlijk niet
direct een plan om naar Suriname terug te komen, maar haar man vond op een
gegeven moment dat hij terug moest. (Ik hoor in Suriname thuis,( luidde zijn
stelling. Als arts vond hij snel een baan, dat leverde geen probleem op, en zo
settelde Reina Nassy zich op de plaats waar zij de rest van haar leven zou
blijven.
Haar man was van joodse afkomst maar
Nederlands Hervormd wat kerkgenootschap betreft. (Niet direct praktiserend,(
verduidelijkt ze. En geen reden dan ook voor haar zelf om dat kerkgenootschap te
bezoeken. (Hoewel ik overal ga. En daar ook wel, maar ik bleef aan de kerk
verbonden waarin ik geboren was. We gingen niet met elkaar mee naar de kerk, om
zo te zeggen, en dat had als gevolg, dat mijn contact met de katholieke kerk ook
niet erg intensief was al die tijd. Het veranderde in Nederland, waar ik in
contact kwam met de Katholieke Charismatische Vernieuwing. Daar werd ik echt
geraakt, ik vond er de weg die ik sindsdien ben gegaan. Terug in Suriname vormde
de Charismatische Vernieuwing mijn aansluiting weer met mijn geboorte-kerk.(
Man/vrouw
'Het was een heel leerzame tijd voor
mij, toen met zr. Anastasia,' legt Reina Nassy uit. 'Ze liet mij ook gesprekken
voeren met mensen, en ik raakte vertrouwd met de werkwijze van luisteren en
gebed, om met aandacht en respect met mensen en hun problemen om te gaan. Een
werkwijze van praten en bidden, zoals dat ook op het LPI gebeurde, ook met
psychiater Baal. Het was in die situatie dat pater Mulder mij op een gegeven
moment vroeg om te komen helpen bij de Welzijnszorg in zijn parochie. Ik stemde
direct in, en heb het werk sindsdiens niet meer gelaten. Steeds met anderen
samen.'
'Er is iets goed fout met onze
samenleving,' legt Reina Nassy uit, als we over het werk zelf beginnen. (Het
zijn langzamerhand bekende verhalen. Als ik zeg dat het fout gaat, doel ik
vooral op de relatie man/vrouw binnen de gezinssituatie. Mannen lopen weg, ze
laten hun vrouw en kinderen achter. Ze brengen kinderen, maar geen geld. Er
ontbreekt veel aan het verantwoordelijkheidsbesef van de Surinaamse man. De
vrouw heeft het erg te verduren, en van alles te slikken. Velen leven ongehuwd,
en hebben geen enkel recht, er komt geen geld voor het onderhoud van het gezin,
en soms worden de vrouwen ook nog mishandeld. En dan is er ook nog het fenomeen
van de jaloerse vrouw. Er zijn buitenvrouwen en buitenkinderen. Het vaak weinige
geld wordt ongelijk verdeeld. Dan zijn er altijd slachtoffers. Steeds weer
dezelfde verhalen. En je hebt ook niet het idee dat je aan dat basisprobleem
iets kan doen. Het blijkt echter gewoon dat het luisteren alleen al, en het in
vertrouwen adviseren van deze vrouwen, bemoedigend werkt. Gewoon het patroon van
zr. Anastasia: luisteren, alle tijd hebben, gebed, en een advies. Dan is er een
enorm vertrouwen. Naast de spreekuurtijden bezoeken de mensen je soms ook thuis,
als ze echt in nood zijn. Dan kom je vaak niet verder dan het aanhoren van de
problemen, maar dat bljkt op zich vaak reeds voldoende te zijn. Soms verwijs ik
mensen door naar de bijeenkomsten van de Katholieke Charismatische Vernieuwing,
waar ook velen verlichting vinden.(
Zo geeft mw Nassy nog veel tijd aan
de begeleiding van anderen. De laatste tijd wat minder, het lopen gaat niet zo
goed meer als tevoren. Ouderdom doet zich bij haar gevoelen. Maar ze heeft lange
tijd, ondanks haar intussen respectabele leeftijd, veel tijd en energie kunnen
geven aan het helpen oplossen of verzachten van de problemen van anderen. Ze
doet dat steeds in vol vertrouwen op God. Zoals zij zelf in gesprek gaat met
God, en Hem alles voorlegt, zo houdt ze dat ook anderen voor. (Want als je de
enormiteit van de gangbare problemen in onze gezinnen ziet, dan weet je dat je
daar zelf geen goed antwoord op hebt. Dat moet van Hem komen.'
Op bezoek bij Granman Gazon te Drietabiki
Kerk en
traditioneel gezag bespreken levenszaken
In het weekend van vrijdag 15 tot
en met zondag 17 juni bracht een delegatie van boslandpastores een pastoraal
bezoek aan de traditionele leiders van de Njuka-marrons te Drietabiki. Dit
bezoek vond plaats in het kader van een overlegronde over gebruiken rondom
overlijden, begrafenis en rouwperiode , die de boslandpastores bezig zijn te
brengen aan alle traditionele stamhoofden. Eerder vond reeds overleg plaats met
granman Levi te Langa-Tabiki.
Het doel van deze overlegronde is een
uitwisseling van gedachten en samen zoeken naar een vernieuwde en aan de huidige
tijd aangepaste regelgeving van gebruiken rondom overlijden, begrafenis en
rouwperiode. In het gehele binnenland is er reeds jarenlang bij zowel gedoopte,
alsook bij volgens traditionele gewoonte levende marrons, een zekere onvrede
over gebruiken rondom overlijden en de lange rouwperiode hierna, waaraan naaste
familieleden onderworpen zijn; ze worden veelal als een straf ervaren. Deze
problematiek is intensief besproken en bestudeerd tijdens de
boslandkatechistenopleiding, alsook in de boslandpastoresvergaderingen, waarin
ook katechisten participeren. Dit heeft geresulteerd in een document, waarin
onze gelovige visie op leven en dood en leven na de dood is beschreven. Tevens
betreft het een daaraan aangepaste vormgeving van begraven en rouwverwerking.
Dit document, waarom vooral de boslandkatechisten hadden gevraagd, heeft de
instemming van en is ondertekend door de vertegenwoordiger van de
boslandkatechistenorganisatie, de kursusleiding, de boslandpastoresvergadering
en het hoofd van ons bisdom Mgr. A.Zichem. Het dient als uitgangspunt bij onze
dialoog met het traditionele gezag. Het is daarbij uitdrukkelijk de bedoeling
dat er sprake is van een respectvolle gedachtenwisseling en niet van een
opdringen van een eigen standpunt aan de tegenpartij. De tijd dat de R.K.
Gemeente de traditionele godsdienst afdeed als minderwaardig en alleen maar
negatief, is voor ons verleden tijd. Wij willen samen zoeken naar nieuwe
antwoorden op de uitdagingen, die deze moderne tijd met zijn eigen economische
en maatschappelijke eisen stelt. Waarbij ieder vanuit zijn eigen schatkamer van
traditionele waarden, verhalen en wijsheid, bijdraagt aan nieuwe inzichten en
nieuwe regelgeving. Het sleutelwoord hierbij is ‘wederzijds respect’.
De reis van Drietabiki
De delegatie die naar Drietabiki
afreisde bestond uit twee katechisten, namens de katechistenorganisatie, de
kursusleiding Zr. Egno en Pater Toon en de katechist Paulus Lonwijk, als
waarnemend pastor van Moengo en van Njuka-dorpen van de Cottica. Als adviseur
van de delegatie en takiman bij de Granman ging Antonius Todi mee. Hij is een
oudere katechist met uitgebreide kennis van de traditionele godsdienst, terwijl
hij nu ook de leider is van de dynamische R.K. basis-gemeente te Hanna”s Lust.
Om zes uur “s morgens reden we over de nieuwe Surinamebrug richting Moengo. Daar
werd Paulus Lonwijk thuis opgehaald.
Hierna ging het over de goed
begaanbare weg via Patamacca naar Chinesikondre aan de Marowijne-rivier schuin
tegenover Langatabiki, waar we kwart voor tien aankwamen. Katechist Arnold
Asaiti van Nason zorgde voor het verder boottransport van Langatabiki naar
Drietabiki. De Marowijne-rivier was bij een hoge waterstand goed bevaarbaar. De
anders moeilijke soela”s zoals de Apuma, de Manbari, de Singatite en de Pulugudu
waren nu zo goed als vlak en gemakkelijk te nemen. Anders was dit met de woeste
Gran-olo nabij Puketi. We hadden erop gerekend onze boot hier achter te laten,
de lading over de sula te dragen om daarna met een andere boot verder te varen.
Maar de Granman had ons zijn beste bootsman gestuurd om ons assistentie te
verlenen. Deze kapitein wist met zeer vaardige meesterhand onze boot over de
Gran-olo naar boven te varen, zodat we met eigen boot verder konden. Tegen zes
uur “s avonds kwamen we te Drietabiki aan. Hier kregen we het logeergebouw als
huisvesting aangeboden. Dit gebouw toont nog alle tekenen van diefstal en
inbraak van de binnenlandse oorlog, waardoor alle ramen en sommige deuren
volledig ontbreken. Wij waren echter dankbaar dat we gezond en zonder ongelukken
in één dag te Drietabiki waren aangekomen.
De krutu
De krutu, die een maand tevoren
schriftelijk was aangevraagd en bevestigd, vond plaats op zaterdagmorgen van 9
tot 12 uur. De Granman werd geassisteerd door zijn sekretaris en een aantal
kapiteins en basia”s. De begroeting was hartelijk en uitgebreid. Voor de meeste
van ons was het een weerzien met de Granman, die nu reeds een hoge leeftijd
heeft, maar nog een vitale en levendige indruk maakt. Zoals het bij dergelijke
krutu”s of beraadslagingen gebruikelijk is, val je niet direct met de deur in
huis, maar worden er eerst uitvoerig een aantal beleefdheids- en inleidende
opmerkingen gemaakt. Hier bleek de diplomatieke vaardigheid van Antonius Todi.
Toen we langzaam maar zeker ter zake
kwamen, werd de gezamenlijke roeping en verantwoordelijkheid van de Granman en
de kerkelijke leiders voor het welzijn van de binnenlandbewoners benadrukt.
Alsook de noden en de uitdagingen waarvoor we nu in deze tijd geplaatst worden.
Benadrukt werd van onze zijde dat de
tijd van vooroordeel en afwijzing van de traditionele waarden en gezag voorbij
is. De Granman ging hier uitdrukkelijk op in en zei deze nieuwe opstelling te
waarderen. Hij zei een duidelijk onderscheid te zien tussen wat hij noemde Gado
Wortu, waarmee hij de getuigen van Jehova en andere nieuwe zendingsgroepen
bedoelde en de traditionele kerken als EBGS en RK Gemeente. De eerste zijn zo
vol van hun eigen gelijk, dat er geen aandacht is voor traditionele waarden en
gezag. De traditionele kerken hebben nu een andere opstelling aangenomen en
staan volgens hem meer open voor overleg. De gedachtenwisseling over dood en
rouwperiode bleek ook voor hem een onderwerp te zijn dat ter discussie staat.
Vervolg
In de loop van dit overleg, waarin er
vanzelfsprekend ook een periode van overleg in eigen besloten kring plaats vond,
werd het duidelijk dat men open stond voor nieuwe inzichten. Doch het gaat hier
om zulke wezenlijke zaken omtrent kultuur en traditie, dat er meer tijd en
bezinning nodig is om tot besluiten en nieuwe standpunten te komen. Wij van onze
kant hadden hier begrip voor. We hadden in feite ook niet anders verwacht. Het
grote belang van deze krutu ligt in het feit dat wij op zo”n hoog niveau, in een
zo goede sfeer, dit bespreekbaar konden maken. Dat we gemeenschappelijke
problemen onderkend hebben en nieuwe perspektieven bespreekbaar gemaakt hebben.
En dit alles in een sfeer van respect voor elkaars traditie.
De krutu eindigde dan ook in een
verzoek van de Granman om in de toekomst deze dialoog voort te zetten en hij
nodigde ons uit om zeker nog eens naar Drietabiki te komen. De
boslandpastoresgroep wil eerst ook de andere Granmans bezoeken en dan deze
gesprekken evalueren. Een volgend bezoek is gepland in augustus aan Granman
Songo te Asidon-Opo aan de Pikin-Rio in het gebied van de Saramacaners.
Pater Toon, Boslandpastor
Wat iedereen
moet weten over .....(12)
MALARIA
Armoede en ongezondheid gaan
veelal hand in hand. Vele ziekten komen uit armoede voort. Vele ziekten kunnen
echter met enige zorg ook voorkomen worden. In deze serie geven wij een
samenvatting van het boekje ‘Wegwijzer voor Welzijn’, waarbij opeenvolgend elk
van de 13 onderwerpen van het boekje besproken wordt. Alleen in hoofdlijnen
echter. Wie meer wil weten, of wie over één van de onderwerpen een scriptie wil
schrijven, of een inleiding wil houden, kan op de redactie van OMHOOG verder
informatie naslaan. Mogelijkerwijs dat er voor belangstellenden een exemplaar
van het boekje verkregen kan worden bij de Nationale Commissie Rechten van het
Kind, ministerie van Sociale Zaken.
In Suriname komt malaria voornamelijk
in het binnenland voor. Ze vormt een grote bedreiging voor kinderen van 0-5
jaar, voor zwangere vrouwen en voor bezoekers van malariagebieden. Deze ziekte
kan de dood tot gevolg hebben en bij jonge kinderen tot ondervoeding leiden.
Mensen die in een malariagebied
wonen, moeten goed voorgelicht worden over: 1. Hoe de besmetting plaatsvindt, 2.
Welke de ziekteverschijnselen zijn, 3. De behandeling van de ziekte, 4. Het
voorkómen van deze ziekte. Voorlichters moeten zich realiseren dat slechts met
de actieve participatie van de plaatselijke bevolking het probleem van malaria
met succes aangepakt kan worden. Dit moet gebeuren in samenwerking met alle
gezondheidswerkers in ons land.
Hoofdregels
Iedereen die denkt malaria te hebben,
moet zo snel mogelijk voor onderzoek en eventuele behandeling naar de
polikliniek of het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg (B.O.G.).
Denk bij koorts in een malariagebied
altijd aan malaria. Andere klachten die op malaria kunnen duiden zijn: koude
rillingen, hoofdpijn, misselijkheid, buikpijn, een slechte eetlust en niet
willen drinken.
Kinderen kunnen moeilijk aangeven wat
ze voelen, denk bij hen dus aan malaria wanneer ze koorts hebben, slecht
drinken, huilerig, prikkelbaar en suf zijn. Soms hebben ze ook diarree.
In malariagebieden moet elk kind met
koorts direct naar een gezondheidswerker.
Heeft het kind malaria, dan moet het
een volledige malariakuur krijgen. Een kind met koorts, vermoedelijk veroorzaakt
door malaria, moet een kuur krijgen. Deze kuur bestaat uit anti-malaria
tabletten en een antibioticum. De malariakuur moet direct aangevangen worden.
Zelfs één dag uitstel kan fataal zijn. Gebruik alleen anti-malaria tabletten die
door de gezondheidswerker voor het kind zijn voorgeschreven of meegegeven. Volg
zorgvuldig alle adviezen op.
Iedereen die malaria heeft, moet
altijd alle tabletten innemen die de gezondheidswerker voorschrijft of meegeeft.
Maak dus altijd de kuur volledig af.
Het komt vaak voor dat mensen al na een paar dagen, als ze zich wat beter
voelen, stoppen met de kuur. Dit is verkeerd. Als men niet alle pillen slikt, is
er een groot gevaar dat de malariaparasieten niet dood zijn en dat de malaria
weer de kop opsteekt, soms zelfs ernstiger dan de vorige keer. Slik daarom de
tabletten door, ook al smaken ze vies en geven ze bijverschijnselen.
Zwangere vrouwen in malariagebieden
moeten gedurende de hele zwangerschap anti-malaria tabletten gebruiken.
Voor zwangere vrouwen, in het
bijzonder voor jonge vrouwen die zwanger zijn van hun eerste kind, is malaria
erg gevaarlijk. Het kan ernstige gevolgen hebben zoals lage sahli, miskramen, te
vroege geboorten en zelfs doodgeboren baby”s. Baby”s van moeders die malaria
hebben, zijn meestal kleiner, hebben een lager geboortegewicht, zijn zwak en
gevoeliger voor infecties. Deze baby”s kunnen ook met een handicap geboren
worden.
Iedereen in een malariagebied moet
onder een klamboe slapen, vooral jonge kinderen en zwangere vrouwen. Malaria kun
je alleen door de prik van de malaria-muskiet krijgen. Alle leden van de
gemeenschap, maar vooral kinderen, moeten beschermd worden tegen
muskietenprikken. Dit kan op verschillende manier zoals:
-
Slapen of rusten onder een
geďmproviseerde klamboe;
-
Gebruik van smoko-patu om muskieten
te verjagen;
-
Het screenen van ramen en deuren;
-
Het dichten van kieren en gaatjes in
muren, deuren en dak van de hutten;
-
Bespuiting van huizen en
woonomgeving en in de buurt van de kostgrondjes;
-
Gebruik van huismiddeltjes,
bijvoorbeeld het baden met bepaalde bittere kruiden.
De gemeenschap moet helpen malaria te
bestrijden door bestaande broedplaatsen op te ruimen en nieuwe te voorkomen.
De malaria-muskiet broedt in
stilstaand water. Dus water van bijboorbeeld: zwampen en moerassen, goten,
tussen de plantbedden op de kostgrondjes, in ondergelopen rijstvelden en in de
poelen die goudzoekers achterlaten. Ze broeden ook in het water dat zich na een
regenbui verzamelt in voorwerpen zoals banden, cups en blikken, of water dat
wordt achtergelaten in emmers en bekkens. Ook open regentonnen vormen een
geschikte broedplaats.
Een kind met malaria heeft extra
voeding en verzorging nodig.
Bij een kind met koorts moet de
temperatuur omlaag gebracht worden door:
-
Baden of afnemen met natte lappen;
-
Het geven van koortsverlagende
medicijnen (zoals paracetamol/calpol); het kind niet te warm kleden, alleen
maar toedekken, ook al heeft het koude rillingen.
Mensen die naar het binnenland gaan,
moeten zich beschermen tegen malaria.
Iemand die naar het binnenland moet
en niet weet of er malaria in het gebied voorkomt, moet contact opnemen met de
Anti-Malaria Campagne (A.M.C.), een afdeling van het Bureau Openbare
Gezondheidszorg (B.O.G). Aan de hand van een kaart van Suriname wordt nagegaan
of er malaria voorkomt of niet en of met een malariakuur moet worden begonnen of
niet.
In het malariagebied moeten
voorzorgmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat men door
malariamuskieten wordt geprikt door:
-
Na zonsondergang een lange broek en
lange mouw hemd aan te trekken;
-
Altijd onder een geďmproviseerde
klamboe te slagen;
-
Zich insmeren met een insectenwerend
middel;
-
Een houtvuurtje of ‘smoko patu’
maken om muskieten te verjagen.
Heilige van de
Week
Z.Titus
Brandsma
De lijdensweg van de martelaar pater
Titus Brandsma heeft net een half jaar geduurd. 19 Januari 1942 werd hij
gearresteerd door de Duitse bezetters van Nederland, 26 juli van dat jaar werd
hij uiteindelijk met een spuitje afgemaakt in het concentratiekamp Dachau in
Duitsland.
Het was in de Tweede Wereldoorlog
1940-1945. De onderdrukking van het Nederlandse volk door de Nazi’s van
Duitsland werd van dag tot dag erger. Een van de punten waar dictators en
onderdrukkers altijd bang voor zijn is de vrije meningsuiting, zoals ook wij
ervaren hebben in de beruchte revo-tijd 1980-1986. Het was op dit punt van de
vrije meningsuiting dat pater Titus Brandsma werd opgepakt, opgesloten en naar
de dood werd gevoerd.
Pater Brandsma was een markante
persoonlijkheid in de r.k.kerk van Nederland. Professor aan de pas opgerichte
katholieke universiteit van Nijmegen, adviseur van de Nederlandse bisschoppen,
adviseur van de r.k. Journalistenvereniging en van tal van andere organisaties
en verenigingen. Toen het nationaal-socialisme in Duitsland de kop opstak, had
hij al heel gauw door hoe levensgevaarlijk deze leer was, niet alleen voor
Joden, maar voor iedereen. Toen de Duitse legers Nederland onder de voet gelopen
hadden werd het Nazisme ook aan dit volk opgelegd. Pater Titus opende van velen
de ogen voor het gevaar wat de mensen te wachten stond: onderdrukking, racisme,
moord en doodslag. De vrijheid van meningsuiting werd van begin af aan bedreigd
en de beperkingen die aan pers en radio werden opgelegd werden a.h.w met de dag
strenger. Pater Brandsma waarschuwde onvermoeibaar over wat er nog verder
gebeuren ging. Het was eigenlijk onvermijdelijk dat hij bij de Duitsers in de
gaten liep en dat men hem kwam ophalen.
Na een nacht in de gevangenis van
Arnhem werd Titus op 20 januari overgebracht naar de politiegevangenis van
Scheveningen voor verhoor. Mocht hij eerst nog het idee hebben dat het allemaal
wel mee zou vallen en dat men hem, ook met het oog op zijn zwakke gezondheid,
zou vrijlaten, na zes weken cel, wordt de toon in zijn brieven wat ongeruster.
Daar in de cel van de Haagse gevangenis leeft hij als een monnik. Die kille,
kale cel wordt voor hem een heilige ruimte vol van Gods aanwezigheid. Hij
schrijft er een ontroerend gedicht, waarvan enkele regels luiden: O laat mij
hier maar stil alleen,/ het kil en koud zijn om mij heen / En laat geen mensen
bij mij toe/ ‘t alleen zijn word ik hier niet moe./ Want Gij, o Jezus zijt bij
mij./ ik was u nimmer zo nabij./ Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet:/ Uw bijzijn
maakt mij alles goed. ( De volledige tekst van dit gedicht vindt U o.a. in het
kerkboek ‘ Verheft Uw hart’ Blz.101).
Op 11 maart vertrekt hij naar het
concentratiekamp Amersfoort, daarna naar de gevangenis in Kleve en dan het
ergste: Dachau. Hij krijgt daar als nummer 30492. Nr. 30492 van blok 28 krijgt
al gauw de speciale belangstelling van de kampbewaarders/beulen. Hij kan niet
marcheren bij het ochtend- en avondappel, hij kan maar slecht meedoen met het
werk op het veld om te oogsten, en hoe men hem ook uitscheldt, hij blijft altijd
glimlachen. Regelmatig wordt hij afgeranseld als hij het tempo niet kan volgen
of ook ‘zomaar’. Een paar weken duurt dat en dan is hij op. Hij komt terecht in
de ziekenbarak. Dokters of wie daarvoor doorgingen gebruikten de patiënten voor
hun medische experimenten. Op Titus worden malariabacteriën uitgeprobeerd. De
verpleegster met wie hij elke dag te maken had, komt onder de indruk van zijn
mildheid en overgave. Zij zal ook de erfgename worden van zijn laatste bezit, de
rozenkrans. Op 26 juli geeft ze hem een injectie die een einde maakt aan zowel
zijn lijdens- als zijn levensweg.
‘ Een gevaarlijk man’ is heengegaan,
was de reactie van de leiding van het kamp. Ja, ‘gevaarlijk’ wegens zijn
eenvoud en oprechtheid, die als een gewetensspiegel werken. ‘Heengegaan’, ook
dat, maar wel naar het Huis van zijn Heer, die hij in zijn cel zijn (Jezus
zoet( noemde. Titus Brandsma is door onze paus in 1985 zalig verklaard. Hij
wordt de patroon genoemd van de journalisten. Naar hem is ook een belangrijke
onderscheiding genoemd, die elk jaar wordt uitgereikt aan die journalist die
onder moeilijke omstandigheden heldhaftig zich is blijven inzetten voor de
waarheid.
Kris Kras
door de Bijbel
Vrouwen
bij het kruis
In de evangeliegetuigenissen die
ons over het sterven van Jezus berichten, wordt met geen woord over de
leerlingen gerept. Zij zijn gevlucht bij Jezus’ gevangenneming in de Hof van
Olijven. We horen echter van Matteüs, Marcus en Lucas, dat op het moment van
Jezus’ sterven aan het kruis wel vele vrouwen toekijken; vrouwen die hem vanuit
Galilea zijn gevolgd. Zij zijn de getuigen geweest van Jezus’ leven en werken,
samen met de apostelen; zij zijn de enige getuigen van zijn dood.
Marcus noemt drie vrouwen die
aanwezig zijn: Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus de jongere en van
Joses, en Salome die waarschijnlijk de vrouw was van Zebedeüs en die de moeder
was van Jacobus de Oudere en van Johannes. Bij Matteüs vinden we Maria
Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus en Joses, en de moeder van de zonen van
Zebedeüs, Salome.
Als Jezus gestorven is en door Jozef
van Arimatea begraven wordt in het rotsgraf, zijn de leerlingen nog steeds
afwezig. Opnieuw is er alleen sprake van enkele vrouwen, die de begrafenis
bijwonen. Deze vrouwen weten dus waar Jezus begraven ligt en kunnen zij op
paasmorgen naar het graf gaan om te bevinden dat het graf leeg is.
Het lege graf
Ook in dit verhaal spelen vrouwen de
hoofdrol. Het gaat weer om Maria Magdalena bij Matteüs, om Maria Magdalena,
Maria en Salome bij Marcus, en om Maria Magdalena en Johanna, de vrouw van
Herodes’ rentmeester Chuzas bij Lucas.
Marcus zegt dat de vrouwen naar het
graf gaan om Jezus’ lichaam te zalven. Dit zalven wil de grote verering
uitdrukken die de vrouwen voor Jezus hadden. Het zalven van de dode is wel een
joods gebruik, maar een dode zalven die al anderhalve dag begraven ligt, is niet
gebruikelijk. Het willen zalven van Jezus’ lichaam heeft echter nog een andere
functie: het bewijst dat de vrouwen tot in het graf zijn geweest en dus precies
hebben kunnen vaststellen dat Jezus niet meer daar was.
Bij Matteüs is er geen sprake van
zalven: de vrouwen gaan naar het graf kijken. Ze kunnen er trouwens niet binnen,
want in Mt.27,66 staat dat het graf verzegeld was. De bekomernis die hierdoor
wordt uitgedrukt ( namelijk de mogelijke beschuldiging dat anderen de steen
wegrolden en Jezus’ lichaam wegnamen op voorhand weerleggen ( wordt ook
geďllustreerd door de discussie van de vrouwen op hun weg naar het graf. Ze
vragen zich af wie de steen zal wegrollen. Deze zware steen liet men in een
vooraf gemaakte groef zakken en hij grendelde als het ware de grafkamer af.
Gemakkelijk te verwijderen zal hij zeker niet geweest zijn, maar het moet te
doen zijn geweest, omdat het graf al of niet regelmatig weer geopend werd om
nieuwe doden te begraven.
Het verrijzenisgebeuren zelf wordt
door de vrouwen niet waargenomen: zij zien slechts dat de steen is weggerold en
stellen vast dat Jezus’ lichaam er niet meer is.
Zowel bij Matteüs als bij Marcus
krijgen de vrouwen een boodschap van een engel mee. De verwondering, de
ontsteltenis en de schrik van de vrouwen (bij Marcus zo sterk uitgedrukt dat de
vrouwen wegvluchten en niets zeggen) zijn typische elementen in
verschijningsverhalen van engelen. De ontvanger van de boodschap is altijd
‘ontsteld’ , ‘bang’. Denk maar aan de boodschap van de engel Gabriël aan Maria.
Even typisch is het geruststellende antwoord van de boodschapper: ‘vrees niet’.
Het zwijgen van de vrouwen over wat ze gezien en gehoord hebben ( in weerwil van
wat hen werd opgedragen ( past eveneens in het kader van typische reacties op
goddelijke boodschappen.
We moeten er echter ook rekening mee
houden dat de rol van de vrouwen als getuigen van Jezus’ sterven, begraven
worden en verrezen-zijn al zeer groot is geweest. Het feit dat de vrouwen bij
Marcus niets zeggen, zou dus ook te maken kunnen hebben met de eerder kleine rol
die de leerlingen is toebedeeld. Doordat de vrouwen niets zeggen, wordt de
verschijning van Jezus aan de leerlingen belangrijker: anders ( zo laat Marcus
uitschijnen ( had misschien niemand er wat van geweten.
Bij Lucas zwijgen de vrouwen niet. Ze
vertellen hun ervaringen aan de apostelen, die er echter geen woord van geloven.
Dat de vrouwen achteraf toch gelijk krijgen, zet de belangrijke rol die Lucas
aan de vrouwen als getuigen toekent, extra in de verf.
Belangrijk is nog de nadrukkelijke
tijdsvermelding in Mc.16,1.3: (Toen de sabbat voorbij was . . . .In alle vroegte
op de eerste dag van de week . . . .na zonsopgang(. Deze aanduidingen staan
symbool voor de nieuwe tijd die aanbreekt: na de verrijzenis van Jezus breekt de
tijd aan van de jonge kerk en zal het uitdragen van de boodschap over heel de
wereld een aanvang nemen. Dat op dit sleutelmoment tussen verleden en toekomst
juist vrouwen een belangrijke rol spelen, is opmerkelijk. In hun uitdrukkelijke
aanwezigheid ligt de basis van de positie die vrouwen in de jonge christelijke
gemeenschappen zullen innemen.
Op de brug tussen dood en herboren worden,
staan vrouwen te kijken. Bij die overgang van ‘leven-doodgaan’ naar ‘herboren
worden’ vertellen vrouwelijke getuigen het verhaal van de boodschap die nieuw
leven wordt ingeblazen. Trouw tot in de dood? Neen, trouw tot nŕ de dood, zoals
uit onze tekst bleek. Vrouwen geven hier hoop, verkondigen haast de nieuwe
start, doordat ze de fijne draad tussen verleden en toekomst niet hebben
verbroken.
|