Interreligieuze Raad in Suriname



Omhoog, 22 juli 2001


Gesignaleerd

Triniteitsdag

Afgelopen maandag 16 juli was het ‘Triniteitsdag’ in de VS. Onvoorstelbaar: op die dag werd de 56e verjaardag gevierd van de eerste atoomproef, de geboorte in feite van het atoomtijdperk. Kort daarop werd de eerste atoombom op Jap[an geworpen. Wereldwijd werden mensen opgeroepen om even stil te staan bij dit misbruik van de Triniteit, om zich ervoor in te zetten om gezamenlijk kernenergie en kernwapens af te schaffen.

Nieuw kerkgebouw

Onder grote belangstelling vond op zondag 15 juli de feestelijke opening plaats van de EBGS-kerk te Pontbuiten. In een arme buurt, met veel eigen inzet en hulp van buiten, was het dan toch maar gelukt een eigen kerkgebouw neer te zetten en officieel te openen. De boodschap die gegeven werd gold de onderlinge samenwerking, het goede voorbeeld voor de jeugd en dat gedrag een betere maatstaf is dan woorden.

Carnaval (1)

Er wordt heel verschillend tegen aan gekeken: het Carnaval als verderfelijk instituut, of als een gezonde vorm van creatieve ontspanning. Wie alleen op het eerste let, heeft geen tijd voor het tweede. Het kan ook anders gesteld worden: wie hard werkt aan gezonde vormen van creatieve ontspanning, vooral voor jongeren, ontmoet geen problemen met verderfelijke instituten.

Carnaval (2)

Er is met verontwaardiging gereageerd op het initiatief van Sticas en haar augustus carnaval festijn. Het is te wensen dat dezelfde verontwaardiging ook gedemonstreerd wordt op een grote voedingsbodem van immoraliteit, geweld en   criminaliteit: de toenemende armoede.

Sport (1)

Een zaterdag Streepy-stadion laat een stukje hartverheffende Surinaamse cultuur zien: een compleet programma voor de hele dag, met U17 en U20 jongeren. Goede discipline, goede teamgeest en een harde strijd.  En dat ondanks de hitte, de afwezigheid van kleedkamers en douches. Als het aan de jongeren ligt zijn er niet zoveel problemen. Die lijken meer te ontstaan in de besturen rond geld, eer en arrogantie.

Sport (2)

Bepaalde sportclubs hebben weinig problemen: onderhouden speelvelden, een tribune, consumpties en veel spel. Andere clubs hebben van alles tekort. Bij de eerste clubs komen jongeren flink aan bod, bij de andere komen zij op de tweede plaats.


Viering eerste christelijke kerk in Suriname 350 jaar

Op 23 juli 2001 is het precies 350 jaar geleden dat de eerste christelijke gemeente in ons land officieel werd ingesteld. Dat gebeurde te Torarica, nabij het huidige Jodensavanna, door Lord Willoughby, graaf van Parham, gouverneur van Barbados. Hij had ons grondgebied net opgeëist voor de Engelse koning, en gaf na enige tijd een officiële status aan de kerkelijke bijeenkomsten van de Engelsen die zich daar waren komen vestigen. Zij allen behoorden tot de Anglicaanse kerk, vanaf toen  verenigd in de St. Bridget parochie. St.Bridget is een Zweedse prinses, die van 1303-1373 leefde en in 1381 reeds heilig verklaard werd door paus Bonifacius IX. In 1999 werd zij door paus Johannes Paulus II benoemd tot beschermer van de heiligen. Haar dochter is de heilige Catharina van Zweden.

Met de vestiging van deze parochie werd de eerste christelijke kerk in de Guyana’s gevestigd, de eerste formele godsdienstige organisatie ook, naast de bestaande inheemse religieuze tradities.

Op zondag 22 juli a.s zal in de St.Rosakerk een dankdienst worden gehouden. De Anglicaanse kerk viert in dankbaarheid het 350 jarig bestaan van haar gemeente in Suriname en van haar kerk in de Guyana’s. De Anglicanen in ons land zijn sinds die tijd steeds op verschillende plaatsen bijeen gekomen. Eerst te Torarica dus, later in het gebouw van het Hoge Gerechtshof in Paramaribo, aan de Keizerstraat, de Domineestraat, en sinds 1950 aan de Hogestraat nr 44.

Er worden vele gasten verwacht bij deze viering; er is ook een felicitatie ontvangen van koningin Elisabeth. De kerk van Suriname en de hele Surinaamse gemeenschap is een omstandig programma aangeboden ter herdenking van het 350 jarig bestaan van de Anglicaanse kerk in onze nabije regio. Het bestaat uit de volgende onderdelen:

Vrijdag 20: Opening tentoonstelling en receptie te Fort Zeelandia

Zaterdag 21: Cultureel Concert in Thalia 

Zondag 22: Heilige mis in de St. Bridgetkerk, 9.00 uur

Zondag 22: Dankdienst in de St.Rosakerk, 16.00 uur, gevolgd door een receptie

Maandag 23:  Heilige mis in de St. Bridget kerk

Maandag 23: Officiële carnet-tekening ceremonie, 10.00 uur

Maandag 23: Open huis vanaf 12.00 uur

Leden van het bisdom Paramaribo zijn speciaal uitgenodigd om de dankdienst in de St.Rosa bij te wonen om, zoals het Comitee Herdenking 350-jarig bestaan het formuleert: ‘te delen in de dank en de lof aan God dat de Anglicaanse parochie en kerk van St.Bridget haar baanbrekende christelijke en geestelijk missie in al deze 350 jaar heeft kunnen vervullen’.

De St. Bridget parochie maakt nu deel uit van de Anglicaanse kerk van Guyana. Zij heeft een plaatselijke voorganger in de persoon van S.Taylor, en een priester, Sydney Thomas, die eens per maand uit Guyana overkomt, terwijl bisschop Randolph George minstens eens per jaar ons land bezoekt. Hij is bisschop van de Anglicaane kerk van Guyana en aartsbisschop van de Anglicaane kerk van de West Indies. Leden van de St.Bridget’s parochie zijn van verschillende nationaliteit: Surinamers, Guyanezen, Amerikanen en andere.

De tentoonstelling in Fort Zeelandia wordt in het bijzonder aanbevolen, omdat daarin tot uiting is gebracht hoe omvangrijk het gemeenschappelijk erfgoed van Guyana en Suriname in feite is. Een zaak die volgens de voorzitter van het HerdenkingsComitee, S.Taylor, veelal te weinig aandacht krijgt. Hier ligt een belangrijke verbindende factor  van samenwerken en samenleven van Surinamers en Guyanezen.


Surinaams Internationaal Carnaval bekritiseerd

De STICAS, Suriname-Trinidad/Tobago International Carnaval & Arts Stichting, is met het initiatief gekomen om een Internationaal Carnavals feest voor ons land te organiseren. Het gaat dan om een jaarlijks terugkerend feest, waarbij met een demonstratie van onze culturen - in de veelzijdige uitingen daarvan - een sfeer geschapen wordt, die uitnodigend moet zijn voor eigen mensen en voor buitenlanders om daar deel van uit te willen maken. Aan de ene kant betreft het hier dus een presentatie van de culturele rijkdom van ons land, in alle vormen ervan - en dat ook heel materieel gedacht: aardewerk, batikwerk, kleding, vlechtwerk, CD’s met creoolse, javaanse, indiaanse, hindoestaanse,  bosneger en andere muziek, e.d.-. Aan de andere kant gaat het om recreatie, plezier en feest.

De presentatie van dit initiatief is erg ongelukkig uitgevallen.  Daarin werd weinig aandacht geschonken aan de culturele rijkdom van ons land en aan gepaste vormen van collectief vermaak. Het culturele aspect werd op het niveau behandeld van jorka’s, leba’s, bakroes en schrikwekkende voorbeelden uit ons verleden, terwijl het collectieve vermaak gevonden werd in minimale kleding en bodypaint.

Op deze wijze van aanbod van het initiatief door Sticas is fel gereageerd vanuit kerkelijke hoek. Men legde direct verband met uitwassen van carnavals van elders, en met kwade invloeden van Internet en andere media. De lijn naar immoraliteit en criminaliteit werd gelegd. De Evangelische Broedergemeente, de Unie van Baptisten Gemeenten, de Federatie van Volle Evangelie Gemeenten en de Pinksterzending in Suriname hebben gezamenlijk een schrijven gericht aan president drs. R.R. Venetiaan met het verzoek om de voorgenomen acties van STICAS te doen staken.

Bisdom Paramaribo

Mgr Aloysius Zichem richtte zich namens het bisdom Paramaribo eveneens in een schrijven tot de president, onderstreepte de bezorgdheid van genoemde kerken, maar maakte daar een kanttekening bij, namelijk dat het carnavalsfeest, gevierd binnen de perken van de normen en waarden van goed fatsoen, een gezonde en mooie vorm van creatieve ontspanning, spel en cultuuruiting kan zijn. Echter is het, zo stelde hij in zijn schrijven aan de president: (vanuit de manier waarop het festival wordt aangekondigd, vooral met betrekking tot de aanbevolen kleding,  verwachtbaar dat men tegen alle waarden en normen van goed fatsoen in tot excessen vervalt. Hierbij denken wij met zorg aan de verderfelijke invloed die zulk een manifestatie op onze jeugd zal hebben.(

(Over het uitbeelden van jorka’s, bakru’s en leba’s in parades en andere onderdelen van het festival kunnen wij stellen dat het omgaan met deze elementen uit onze cultuur zeer gevoelig ligt in onze gemeenschap en dat de organisatoren blijkbaar onvoldoende besef hebben van de mogelijke emotionele en geestelijke gevolgen hiervan.(

Mgr Zichem spreekt dan de hoop uit dat er van overheidswege erop wordt toegezien (dat bij deze carnavalsviering de algemeen aanvaarde normen en waarden van zedelijkheid in acht worden genomen, zodat deze overigens geaccepteerde vorm van vermaak niet uit dehand loopt.(  Hij verwijst daarbij naar de voorbeeldige wijze waarop de Avondvierdaagse 2001 door het bestuur van de Bedrijven Vereniging Sport en Spel werd geleid, waardoor tijdig en resoluut werd ingegrepen tegen opkomende obscene gedragingen.


Nieuwe economie vereist aanpassing kerkelijke sociale leer

Tegen de achtergrond van de G-8 top in Italië deze maand verklaarde  kardinaal Van Thuan, de voorzitter van de Pauselijke Commissie Rechtvaardigheid en Vrede, dat de nieuwe economie nieuwe uitdagingen stelt aan de sociale leer van de katholieke Kerk waarop ze een antwoord moet geven.

Met zijn uitlatingen reageerde de Vietnamese kardinaal op de pauselijke oproep van zondag tot de (rijkste en technologisch meest ontwikkelde landen om de schreeuw te horen van zovele arme mensen, die hun door God gegeven rechten vragen(. Volgens de paus staat het geloof ons niet toe onverschillig te blijven voor zo’n ‘indringende vraag van wereldwijde omvang’. De wereldleiders, zo voegde de paus er in het vooruitzicht op de G8-top aan toe, moeten geleid worden door (de zoektocht naar het gemeenschappelijke welzijn van heel de wereldbevolking(.   De huistheoloog van het Vaticaan, pater Georges Cottier, waarschuwde ervoor om die uitspraken van de paus niet voor politieke doeleinden te misbruiken. Giulio Albanese van het persagentschap Misna stelde dan weer in een reactie dat de kloof tussen Noord en Zuid steeds groter wordt. Daarbij blijft Afrika op het vlak van de economische ontwikkeling het sterkst achterlopen.   Kardinaal Van Thuan publiceerde over datzelfde onderwerp een volledig boek, waarvan begin deze maand een samenvatting verscheen in L’Osservatore Romano. Daarin schrijft Van Thuan dat de nieuwe informatietechnologie ongetwijfeld een fundamentele rol speelt in dit stadium van economische ontwikkeling. Dat biedt enorme mogelijkheden, maar impliceert ook risico’s zoals werkloosheid, marginalisering en een extreme onveiligheid op de werkvloer. Tegelijkertijd waarschuwde hij voor de isolatie van individuen, omdat de computer hen van de sociale interactie kan weghalen.   (Dit alles stelt een uitdaging voor de Kerk en roept haar op tot een nieuw antwoord dat een aanpassing van de katholieke sociale leer vereist (() De grote uitdaging ligt erin te verklaren hoe de ‘nieuwe economie’ ten dienste van de mensheid kan staan, eerder dan dat de mens de economie dient(.   Dat vraagt volgens kardinaal Van Thuan een onderscheid tussen globalisering en globalisme: de globalisering van de economie is een natuurlijk proces, maar globalisme is ‘een ideologie die kan herleid worden tot winst en profijt’.   Volgens kardinaal Van Thuan ligt de grote uitdaging erin de hulpbronnen ten dienste te stellen van de armsten en samen te werken voor de uitbouw van het algemene welzijn. Dat impliceert dat de rijke landen hun kennis en technologie overdragen aan de armste landen, opdat die in staat zouden zijn hun echte noden aan te pakken.


Hoofdredacteur OMHOOG 70 jaar

Een veelzijdig innoverend leven

Pater Sebastiaan ‘Bas’ Mulder staat op vertrek wordt alom verteld. De viering van zijn zeventigste verjaardag werd mede in dat perspectief gesteld. Maar wie Bas Mulder de meer dan 40 jaar - een heel mensenleven - van zijn verblijf in ons land gevolgd heeft, begrijpt dat hij voorlopig nog niet zal opstappen. Hij heeft nog iets af te maken, zoals hij heel wat zaken begon, en die ook afmaakte voor ze over te dragen aan anderen om voort te zetten. Naast zijn ‘gewone werk’ als pastoor van twee parochies, hoofdredacteur OMHOOG en verschillende bestuursfuncties binnen ons bisdom en binnen zijn Congregatie heeft hij de begeleiding van de nieuwe twee Braziliaanse priesters in ons bisdom. Daar trekt hij nog minstens een jaar voor uit ‘totdat zij voldoende Nederlands spreken, zich gemakkelijk bewegen in ons bisdom en er zich helemaal in thuis voelen’. Hij heeft het project van hun komst mee helpen voorbereiden, en zal het nu een goede afwikkeling moeten geven.

Dat is min of meer het patroon van werken geweest van Bas Mulder in ons bisdom. En dat werd voor het goede oog al snel zichtbaar kort na zijn komt in ons land in 1959. Hij was kort daarvoor priester gewijd in Nederland, liep stage maar kreeg van zijn overste opeens te horen dat hij zich moest klaar maken om naar Suriname te gaan.  Zo ging dat toen. Geen overleg, geen voorkeursuiting, pure gehoorzaamheid aan het gezag van de Congregatie. Mulder bleef korte tijd bij de kathedraal en werd toen als kapelaan geplaatst bij de Boniface parochie. Binnen de kortst mogelijke tijd kwam daar een stukje jeugdwerk van de grond. Iets wat elders in het bisdom niet bestond. In 1961 werd hij toen teruggeplaatst naar de kathedraal met de specifieke opdracht om zich te wijden aan het jeugdwerk van daar en in bredere zin: van het bisdom.

(Het was de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie in Rome en van de opstand tegen het gezag in de westerse samenleving. Er kwam veel ruimte in de kerk en in de samenleving. Vooral ook wat de jeugd betreft. Er was daarvoor eigenlijk niets voor de jeugd. Wel in streng georganiseerd verband voor nette jongens, zoals in het Patronaat, met clubmiddagen en contributie. Maar aan jongeren die dat niet konden opbrengen, en die vanuit een achterstandpositie deelnamen aan het maatschappelijke leven, werd er weinig geboden. Er was geen open jeugdwerk, geen radioprogramma’s voor en met de jeugd, geen jeudgsongfestival, tiener muziek en tienermode, e.d.. Allemaal zaken die voor ons nu alledaags zijn. Maar die toen tegen de verdrukking in eigenlijk van het strenge burgerlijke gezag van de samenleving hun plaats moesten veroveren. Bas Mulder heeft daar een belangrijke innoverende rol bij gespeeld. Het eerste songfestival bijvoorbeeld werd in het Patronaat gehouden.

Media

In het Apintie programma ‘To the Point’ van woensdag 11 juli, dat onder de titel van ‘een welbesteed leven’ speciaal aan Bas Mulder gewijd was, werd hem gevraagd wat hem in zijn werk vooral inspireerde. Waardoor werd hij gedreven in zijn werk? Mulder ging in zijn antwoord op die vraag terug naar zijn eigen jeugd, de oorlogstijd in Nederland. Een tijd van geweld en onrecht, en van waarheid ook, omdat daar vaak maskers van mensen afvielen. Een periode die wij allen in de jaren tachtig en daarna hebben beleefd. Hij had vanuit zijn oorlogservaring voor zichzelf besloten om zich in zijn leven vooral in te zetten voor slachtoffers van onrecht, vooral de armen in de samenleving. Mensen die in de verdrukking zijn geraakt. En onder hen vooral de jongeren, om hun voorzieningen te verlenen voor hun zelfontplooiing en om hun waardigheid te geven. Een opvoedkundige opdracht die hij met name op het gebied van de sport heeft waar trachten te maken. Vanuit het Patronaat werden zo aanzetten gegeven voor sport voor jeugd en jongeren, de junior en aspirantklassen in basketbal en volleybal: het kwam met tafeltennis ook allemaal van de grond, en het Patronaat heeft daar een niet geringe bijdrage aan geleverd.

In 1967 werd de STVS opgericht, de eerste televisie van ons land. Het begon voor het Comité Christelijke Kerken eigenlijk als radioprogramma met priesters en dominees die netjes hun bijbellezingen hielden. Mulder begon er beweging in te brengen. Hij begon woorden die zo gesproken werden te visualiseren, en was daarbij de eerste in ons land die een draaiboek voor elk programma opstelde. Daarmee valt hij nu nog soms op. Als hij komt onderhandelen over een programma voor de radio of de televisie, dan heeft hij altijd al zijn draaiboek achter de hand. Hij laat steeds zien dat je in dat soort zaken direct het goede voorbereidende werk moet doen om tot resultaten te komen. 

Het werd in ‘To The Point’ door  zijn pupillen ook weer benadrukt: Mulder bereidt zijn werk altijd zorgvuldig voor, en eist dat in feite van iedereen met wie hij samenwerkt.

Zo ontwikkelde zich het beeld van de pastor dat alom in onze samenleving bekend is geworden: de pastor van de jeugd en van de media. En dat maakte samen inderdaad een groot deel van zijn werk uit, waar voor hij al vroeg ook de waardering van de samenleving ontving. Voor  1972 werd hij uitgeroepen tot Man van het Jaar, om zijn veelzijdige bijdrage aan onze gemeenschap als priester, opvoeder van de jeugd, sportleider en televisie commentator.

Overste

Voor hemzelf was 1973 een belangrijk jaar. Hij werd gekozen tot overste van zijn Congregatie in ons land. De eerste keer ook dat de overste gekozen werd, en niet, zoals tevoren, werd aangesteld van hogerhand.  Hij is het bij elkaar 18 jaar gebleven. Een functie die hem in de wereld bracht, in Rome, op eilanden van de regio, en op diverse andere plaatsen in de wereld. Het heeft hem mentaal en geestelijk erg goed gedaan. De wereld ging voor hem open, en hij vertaalde dat weer tot initiatieven in zijn dagelijks werk. Want wat hij meemaakt wil hij graag met anderen delen. Vandaar zijn rubiek ook in OMHOOG: de Wereldkerk, en vandaar ook de deelname aan de Wereldjongerendagen, vorig jaar nog in Rome.

Helaas kon een ander initiatief in dit verband niet uitgevoerd worden. Hij was in 1982 in overleg met Apintie om tot een nieuwe aanpak van godsdienstige uitzendingen te komen. Meer in de wereld van vandaag en meer gericht op de schepping van een wereld gekenmerkt door vrede en gerechtigheid. Toen kwam december 1982 en de beknotting van de vrije meningsuiting.

Toekomst

Hoe Mulder aankijkt tegen de toekomst van ons land? Hij toonde zich in het televisieprogramma niet optimistisch. De meeste bevolkingsgroepen in ons land, zo stelde hij, zijn tegen hun zin hier gekomen, met als gevolg dat velen een ambivalente houding jegens hun verblijf in ons land hebben. Velen zijn ook onder weg om ons land te verlaten, dat blijkt jaarlijks weer rond de eindexamens, als onder de best geslaagden er weer een aantal is dat reeds voor Nederland of elders geboekt heeft.

Mulder legt er verder de nadruk op dat mensen hier steeds zijn gekomen om te roven. Om weg te halen. Een gedrag dat gebleven is ook na de onafhankelijkheidswording. Niet een houding om bij te dragen aan de ontwikkeling van dit land. Geld wordt elders op rekeningen gezet. En intussen gaat de globalisering verder. Grenzen worden afgebroken, er komen steeds meer ‘vreemdelingen’ naar ons toe: Haďtianen, Chinezen, Brazilianen.  En dan zijn er nog andere meer zorgwekkende ontwikkelingen, zoals de toename van het geweld, van  de criminaliteit en van Aids. Er wordt volgens Mulder te lakoniek over heen gestapt. Terwijl het om zeer ernstige ontwikkelingen en trends gaat.

Maar als de ernst hiervan eenmaal wordt ingezien en als daarnaar gehandeld wordt, zijn er wonderen mogelijk. Zo ervaart Mulder de loop van zijn eigen leven. Wie het leven ernstig neemt, en dan vooral de noden van de buitengeslotenen, en wie zich wil wijden aan de oplossing daarvan, die zal zich gedragen weten. Voor hem is toekomst:  Want God laat niemand in de steek die het opneemt voor zijn mensen.(


Het concubinaat kerkelijk bevestigd

Met instemming heb ik het artikel in OMHOOG van zondag 15 juli jl gelezen onder de titel: 'Pleidooi voor kerkelijke erkenning van het concubinaat' als deel van de afstudeerscriptie van Milton George. Ik citeer uit boven vermeld artikel: 'Ik pleit ervoor dat het sacramentele karakter van het Afro-Caraďbische concubinaat aanvaard zou kunnen worden via een kerkelijke erkenning van het Afro concubinaat, als een rechterlijke gewoonte 'als een zogenaamde Cosuetudo Centenaria immemorabilis enz'. Einde citaat.

Ter gelegenheid van de herdenking 100 jaar afschaffing van de slavernij schreef ik een artikel in OMHOOG  van 30 juni 1963 met als aanhef: ‘Cultuur en Liturgie: verweving van kultuur elementen in de Liturgie noodzakelijk’.

Citaat: 'Wie in de gelegenheid is geweest om de Afrikaanse Misa Luba te beluisteren, zal zich direct geplaatst voelen tegen het diep bruisende dat kenmerkend is voor de Afrikaanse muziek. Omdat de trom als kultuurinstrument zo’n belangrijke rol speelt in het leven van de Afrikaanse mens, heeft de kerk juist de taak bij de uitoefening van de Eredienst om stimulerend te werk te gaan. Inschakeling van instrumenten hierbij zal het begrip verhelderen dat de Kerk niet voor een bepaalde kultuur is, doch zich zoveel mogelijk aan kulturele manifestaties moet aanpassen. Zonder een al te grote ommekeer in onze kerk te willen brengen, zijn wij van oordeel dat het embargo tegen verschillende Surinaamse (bedoeld werd Afro-Surinaamse) uitingen in al hun nuanceringen opgeheven dient te worden'. Einde citaat.

Die uitspraak was in 1963 misschien zeer gedurfd, U zal het evenwel met mij eens zijn dat de inschakeling van de trom bij de kerkzang wat ‘leven in de brouwerij’ brengt.

Met betrekking tot het pleidooi van Milton George voor een kerkelijke erkenning van het concubinaat het volgende. Bij de openbare behandeling van de Ontwerp-landsverordening ingediend door de toenamlige minister van Justitie, Dr. J.H.Adhin, ‘Wijziging van de Aziatische huwelijkswetgeving( in september 1973 was ik als lid van de PSV-fraktie de grootste pleitbezorger voor de erkenning van het concubinaat door de regering. Wellicht als produkt van een door de kerk ‘verbonden samenleving’, beschouwde ik de uitsluiting van kinderen, geboren uit die verhouding, voor de ontvangst van de zg. Kindertoeslag als een levensgroot onrecht.

De enige bijval, welke mij ten deel viel, kwam van Cyriel Richard Karg, in zijn weekblad ‘Sonde Spikri’. Wat toen opgevat werd als een stuk ketterij, wordt nu vast gelegd in de CAO van werknemers, die een vaste en duurzame relatie hebben met een en dezelfde vrouw of concubine, terwijl de Overheid dat beginsel ook erkent. Ik juich daarom die gedurfde stap van Milton George van harte toe omdat handhaving van dat verbod vaak indruist tegen dieper liggende kultuuropvattingen. Terwijl de Kerk zo hard en soms mensonvriendelijk optrad, zelfs tegen echtparen, die voorbeeldig leefden in concubinaat - weliswaar niet voor de Kerk en Overheid getrouwd - was de concubinaatsverhouding voor pater Weidmann, een man die veel verder keek dan de Kathedraal en het vroegere gebouw van de Staten, nooit een beletsel geweest om sacramenten aan die mensen toe te dienen.

E.Wijntuin

P.S. Ik sluit mij gaarne aan bij allen die bezorgdheid uitspreken over de nieuwe vorm van Carnavalsbeleving. Nu al durf ik mijn hand in het vuur te steken, dat de deelnemers aan die vertoning niet de weerspiegeling zullen zijn van onze multiraciale samenleving. U weet zeker, wie daar de boventoon zullen voeren.  


Pastoraal voor iedereen - 75

Reina Adalien Nassy-Chan: het wonder van het luisteren

In deze rubriek wordt de pastoaal van ons bisdom en ons land beschreven. Een stukje geloofspraktijk: al die mensen die geďnspireerd door hun geloof  tijd en energie aan hun medemensen geven, heel afwisselend van aard, omvang en duur. Ieder naar zijn eigen talenten. Niet alleen als beschrijving, ook ter navolging: dat het mensen aan het denken mag zetten: mannen en vrouwen, ouderen en jongeren. Er is immers behoefte aan ‘werkers in de wijngaard’

Bijna elke maandagochtend zit mw Reina Nassy bij de Kapel aan de Gravenstraat 14. ‘Spreekuur Dienst Welzijnszorg’ heet het al jaren in de kerkberichten van de Petrus & Paulusparochie. Ongeveer 15 jaar nu. Maar dat betekent met haar 88 jaar nu dat ze dit werk op vrij hoge leeftijd begon, een leeftijd waarop de meeste mensen zaken afbouwen of beëindigen. Toch was het bij haar ook niet echt een begin toen. Van het een kwam het ander.

Het begon jaren daarvoor. Zr Anastasia nam haar mee naar wat toen het LPI en nu het PCS, Psychiatrisch Centrum Suriname heet. Deze liet haar iets van haar werk zien waar ze dan zelf geleidelijk aan vertrouwd mee raakte: in gesprek gaan namelijk met mensen met problemen. (Ik heb veel van haar geleerd,( benadrukt Reina Nassy, (een fantastische vrouw. Ze had een eindeloos geduld, voor iedereen, ze kon als geen ander luisteren; nooit had iemand het gevoel dat ze teveel waren. Ze had altijd tijd voor mensen. Ze ging ook met hen in gebed, op een manier dat het hen bemoedigde. En wat je dan zag gebeuren was dat mensen een groot vertrouwen in haar stelden, ze vertrouwden haar al hun problemen toe, en het luisteren alleen bleek een effectief geneesmiddel te zijn.(

Reina Nassy is geboren en getogen in Suriname, en geboren en gedoopt ook in de katholieke kerk, maar haar leven  heeft zij voor een belangrijk gedeelte buiten Suriname en buiten de katholieke kerk doorgebracht. Althans, voor wat de kerk betreft, niet op de intensieve wijze waarop zij daar nu in participeert. Haar man was arts, Surinaams geschoold eerst, met als werkterrein de Antillen. Ze kent ze bijna allemaal: Saba, St. Maarten, St Eustatius en Curacao, want daar heeft haar man als arts gewerkt. Met een Nederlandse periode daar tussen in, en aan het eind daarvan. (Er was een moment,( legt Reina Nassy uit, (dat mijn man naar Nederland ging om zijn artsexamen over te doen. Hij zei dat er iets aan zijn opleiding mankeerde, hij wilde dat niet missen, en nam het zekere voor het onzekere door gewoon het artsexamen over te doen. Er was later eigenlijk niet direct een plan om naar Suriname terug te komen, maar haar man vond op een gegeven moment dat hij terug moest. (Ik hoor in Suriname thuis,( luidde zijn stelling. Als arts vond hij snel een baan, dat leverde geen probleem op, en zo settelde Reina Nassy zich op de plaats waar zij de rest van haar leven zou blijven.

Haar man was van joodse afkomst maar Nederlands Hervormd wat kerkgenootschap betreft. (Niet direct praktiserend,( verduidelijkt ze. En geen reden dan ook voor haar zelf om dat kerkgenootschap te bezoeken. (Hoewel ik overal ga. En daar ook wel, maar ik bleef aan  de kerk verbonden waarin ik geboren was. We gingen niet met elkaar mee naar de kerk, om zo te zeggen, en dat had als gevolg, dat mijn contact met de katholieke kerk ook niet erg intensief was al die tijd. Het veranderde in Nederland, waar ik in contact kwam met de Katholieke Charismatische Vernieuwing. Daar werd ik echt geraakt, ik vond er de weg die ik sindsdien ben gegaan. Terug in Suriname vormde de Charismatische Vernieuwing mijn aansluiting weer met mijn geboorte-kerk.(

Man/vrouw

'Het was een heel leerzame tijd voor mij, toen met zr. Anastasia,' legt Reina Nassy uit. 'Ze liet mij ook gesprekken voeren met mensen, en ik raakte vertrouwd met de werkwijze van luisteren en gebed, om met aandacht en respect met mensen en hun problemen om te gaan.  Een werkwijze van praten en bidden, zoals dat ook op het LPI gebeurde, ook met psychiater Baal.  Het was in die situatie dat pater Mulder mij op een gegeven moment vroeg om te komen helpen bij de Welzijnszorg in zijn parochie. Ik stemde direct in, en heb het werk sindsdiens niet meer gelaten.  Steeds met anderen samen.'

'Er is iets goed fout met onze samenleving,' legt Reina Nassy uit, als we over het werk zelf beginnen. (Het zijn langzamerhand bekende verhalen. Als ik zeg dat het fout gaat, doel ik vooral op de relatie man/vrouw binnen de gezinssituatie. Mannen lopen weg, ze laten hun vrouw en kinderen achter. Ze brengen kinderen, maar geen geld. Er ontbreekt veel aan het verantwoordelijkheidsbesef van de Surinaamse man.  De vrouw heeft het erg te verduren, en van alles te slikken. Velen leven ongehuwd, en hebben geen enkel recht, er komt geen geld voor het onderhoud van het gezin, en soms worden de vrouwen  ook nog mishandeld. En dan is er ook nog het fenomeen van de jaloerse vrouw. Er zijn buitenvrouwen en buitenkinderen. Het vaak weinige geld wordt ongelijk verdeeld. Dan zijn er altijd slachtoffers. Steeds weer dezelfde verhalen. En je hebt ook niet het idee dat je aan dat basisprobleem iets kan doen. Het blijkt echter gewoon dat het luisteren alleen al, en het in vertrouwen adviseren van deze vrouwen, bemoedigend werkt. Gewoon het patroon van zr. Anastasia: luisteren, alle tijd hebben, gebed, en een advies.  Dan is er een enorm vertrouwen. Naast de spreekuurtijden bezoeken de mensen je soms ook thuis, als ze echt in nood zijn. Dan kom je vaak niet verder dan het aanhoren van de problemen, maar dat bljkt op zich vaak reeds voldoende te zijn. Soms verwijs ik mensen door naar de bijeenkomsten van de Katholieke Charismatische Vernieuwing, waar ook velen verlichting vinden.(

Zo geeft mw Nassy nog veel tijd aan de begeleiding van anderen. De laatste tijd wat minder, het lopen gaat niet zo  goed meer als tevoren. Ouderdom doet zich bij haar gevoelen. Maar ze heeft lange tijd, ondanks haar intussen respectabele leeftijd, veel tijd en energie kunnen geven aan het helpen oplossen of verzachten van de problemen van anderen. Ze doet dat steeds in vol vertrouwen op God. Zoals zij zelf in gesprek gaat met God, en Hem alles voorlegt,  zo houdt ze dat ook anderen voor. (Want als je de enormiteit van de gangbare problemen in onze gezinnen ziet, dan weet je dat je daar zelf geen goed antwoord op hebt. Dat moet van Hem komen.'


Op bezoek bij Granman Gazon te Drietabiki

Kerk en  traditioneel gezag bespreken levenszaken

In het weekend van vrijdag 15 tot en met zondag 17 juni bracht een delegatie van boslandpastores een pastoraal bezoek aan de traditionele leiders van de Njuka-marrons te Drietabiki. Dit bezoek vond plaats in het kader van een overlegronde over gebruiken rondom overlijden, begrafenis en rouwperiode , die de boslandpastores bezig zijn te brengen aan alle traditionele stamhoofden. Eerder vond reeds overleg plaats met granman Levi te Langa-Tabiki.

Het doel van deze overlegronde is een uitwisseling van gedachten en samen zoeken naar een vernieuwde en aan de huidige tijd aangepaste regelgeving van gebruiken rondom overlijden, begrafenis en rouwperiode. In het gehele binnenland is er reeds jarenlang bij zowel gedoopte, alsook bij volgens traditionele gewoonte levende marrons, een zekere onvrede over gebruiken rondom overlijden en de lange rouwperiode hierna, waaraan naaste familieleden onderworpen zijn;  ze worden veelal als een straf ervaren. Deze problematiek is intensief besproken en bestudeerd tijdens de boslandkatechistenopleiding, alsook in de boslandpastoresvergaderingen, waarin ook katechisten participeren. Dit heeft geresulteerd in een document, waarin onze gelovige visie op leven en dood en leven na de dood is beschreven.  Tevens betreft het een daaraan aangepaste vormgeving van begraven en rouwverwerking. Dit document, waarom vooral de boslandkatechisten hadden gevraagd, heeft de instemming van en is ondertekend door de vertegenwoordiger van de boslandkatechistenorganisatie, de kursusleiding, de boslandpastoresvergadering en het hoofd van ons bisdom Mgr. A.Zichem.  Het dient als uitgangspunt bij onze dialoog met het traditionele gezag. Het is daarbij uitdrukkelijk de bedoeling dat er sprake is van een respectvolle gedachtenwisseling en niet van een opdringen van een eigen standpunt aan de tegenpartij. De tijd dat de R.K. Gemeente de traditionele godsdienst afdeed als minderwaardig en alleen maar negatief, is voor ons verleden tijd. Wij willen samen zoeken naar nieuwe antwoorden op de uitdagingen, die deze moderne tijd met zijn eigen economische en maatschappelijke eisen stelt. Waarbij ieder vanuit zijn eigen schatkamer van traditionele waarden, verhalen en wijsheid, bijdraagt aan nieuwe inzichten en nieuwe regelgeving. Het sleutelwoord hierbij is ‘wederzijds respect’.

De reis van Drietabiki

De delegatie die naar Drietabiki afreisde bestond uit twee katechisten, namens de katechistenorganisatie, de kursusleiding Zr. Egno en Pater Toon en de katechist Paulus Lonwijk, als waarnemend pastor van Moengo en van Njuka-dorpen van de Cottica. Als adviseur van de delegatie en takiman bij de Granman ging Antonius Todi mee. Hij is een oudere katechist met uitgebreide kennis van de traditionele godsdienst, terwijl hij nu ook de leider is van de dynamische R.K. basis-gemeente te Hanna”s Lust. Om zes uur “s morgens reden we over de nieuwe Surinamebrug richting Moengo. Daar werd Paulus Lonwijk thuis opgehaald.

Hierna ging het over de goed begaanbare weg via Patamacca naar Chinesikondre aan de Marowijne-rivier schuin tegenover Langatabiki, waar we kwart voor tien aankwamen. Katechist Arnold Asaiti van Nason zorgde voor het verder boottransport van Langatabiki naar Drietabiki. De Marowijne-rivier was bij een hoge waterstand goed bevaarbaar. De anders moeilijke soela”s zoals de Apuma, de Manbari, de Singatite en de Pulugudu waren nu zo goed als vlak en gemakkelijk te nemen. Anders was dit met de woeste Gran-olo nabij Puketi. We hadden erop gerekend onze boot hier achter te laten, de lading over de sula te dragen om daarna met een andere boot verder te varen. Maar de Granman had ons zijn beste bootsman gestuurd om ons assistentie te verlenen. Deze kapitein wist met zeer vaardige meesterhand onze boot over de Gran-olo naar boven te varen, zodat we met eigen boot verder konden. Tegen zes uur “s avonds kwamen we te Drietabiki aan. Hier kregen we het logeergebouw als huisvesting aangeboden. Dit gebouw toont nog alle tekenen van diefstal en inbraak van de binnenlandse oorlog, waardoor alle ramen en sommige deuren volledig ontbreken. Wij waren echter dankbaar dat we gezond en zonder ongelukken in één dag te Drietabiki waren aangekomen. 

De krutu

De krutu, die een maand tevoren schriftelijk was aangevraagd en bevestigd, vond plaats op zaterdagmorgen van 9 tot 12 uur. De Granman werd geassisteerd door zijn sekretaris en een aantal kapiteins en basia”s. De begroeting was hartelijk en uitgebreid. Voor de meeste van ons was het een weerzien met de Granman, die nu reeds een hoge leeftijd heeft, maar nog een vitale en levendige indruk maakt. Zoals het bij dergelijke krutu”s of beraadslagingen gebruikelijk is, val je niet direct met de deur in huis, maar worden er eerst uitvoerig een aantal beleefdheids- en inleidende opmerkingen gemaakt. Hier bleek de diplomatieke vaardigheid van Antonius Todi.

Toen we langzaam maar zeker ter zake kwamen, werd de gezamenlijke roeping en verantwoordelijkheid van de Granman en de kerkelijke leiders voor het welzijn van de binnenlandbewoners benadrukt. Alsook de noden en de uitdagingen waarvoor we nu in deze tijd geplaatst worden.

Benadrukt werd van onze zijde dat de tijd van vooroordeel en afwijzing van de traditionele waarden en gezag voorbij is. De Granman ging hier uitdrukkelijk op in en zei deze nieuwe opstelling te waarderen. Hij zei een duidelijk onderscheid te zien tussen wat hij noemde Gado Wortu, waarmee hij de getuigen van Jehova en andere nieuwe zendingsgroepen bedoelde en de traditionele kerken als EBGS en RK Gemeente. De eerste zijn zo vol van hun eigen gelijk, dat er geen aandacht is voor traditionele waarden en gezag. De traditionele kerken hebben nu een andere opstelling aangenomen en staan volgens hem meer open voor overleg. De gedachtenwisseling over dood en rouwperiode bleek ook voor hem een onderwerp te zijn dat ter discussie staat.

Vervolg

In de loop van dit overleg, waarin er vanzelfsprekend ook een periode van overleg in eigen besloten kring plaats vond, werd het duidelijk dat men open stond voor nieuwe inzichten. Doch het gaat hier om zulke wezenlijke zaken omtrent kultuur en traditie, dat er meer tijd en bezinning nodig is om tot besluiten en nieuwe standpunten te komen. Wij van onze kant hadden hier begrip voor. We hadden in feite ook niet anders verwacht. Het grote belang van deze krutu ligt in het feit dat wij op zo”n hoog niveau, in een zo goede sfeer, dit bespreekbaar konden maken. Dat we gemeenschappelijke problemen onderkend hebben en nieuwe perspektieven bespreekbaar gemaakt hebben. En dit alles in een sfeer van respect voor elkaars traditie.

De krutu eindigde dan ook in een verzoek van de Granman om in de toekomst deze dialoog voort te zetten en hij nodigde ons uit om zeker nog eens naar Drietabiki te komen. De boslandpastoresgroep wil eerst ook de andere Granmans bezoeken en dan deze gesprekken evalueren. Een volgend bezoek is gepland in augustus aan Granman Songo te Asidon-Opo aan de Pikin-Rio in het gebied van de Saramacaners.

Pater Toon, Boslandpastor   


Wat iedereen moet weten over .....(12)

MALARIA

Armoede en ongezondheid gaan veelal hand in hand. Vele ziekten komen uit armoede voort. Vele ziekten kunnen echter met enige zorg ook voorkomen worden. In deze serie geven wij een samenvatting van het boekje ‘Wegwijzer voor Welzijn’, waarbij opeenvolgend elk van de 13 onderwerpen van het boekje besproken wordt. Alleen in hoofdlijnen echter. Wie meer wil weten, of wie over één van de onderwerpen een scriptie wil schrijven, of een inleiding wil houden, kan op de redactie van OMHOOG verder informatie naslaan. Mogelijkerwijs dat er voor belangstellenden een exemplaar van het boekje verkregen kan worden bij de Nationale Commissie Rechten van het Kind, ministerie van Sociale Zaken.

In Suriname komt malaria voornamelijk in het binnenland voor. Ze vormt een grote bedreiging voor kinderen van 0-5 jaar, voor zwangere vrouwen en voor bezoekers van malariagebieden. Deze ziekte kan de dood tot gevolg hebben en bij jonge kinderen tot ondervoeding leiden.

Mensen die in een malariagebied wonen, moeten goed voorgelicht worden over: 1. Hoe de besmetting plaatsvindt, 2. Welke de ziekteverschijnselen zijn, 3. De behandeling van de ziekte, 4. Het voorkómen van deze ziekte. Voorlichters moeten zich realiseren dat slechts met de actieve participatie van de plaatselijke bevolking het probleem van malaria met succes aangepakt kan worden. Dit moet gebeuren in samenwerking met alle gezondheidswerkers in ons land.

Hoofdregels

Iedereen die denkt malaria te hebben, moet zo snel mogelijk voor onderzoek en eventuele behandeling naar de polikliniek of het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg (B.O.G.).

Denk bij koorts in een malariagebied altijd aan malaria. Andere klachten die op malaria kunnen duiden zijn: koude rillingen, hoofdpijn, misselijkheid, buikpijn, een slechte eetlust en niet willen drinken.

Kinderen kunnen moeilijk aangeven wat ze voelen, denk bij hen dus aan malaria wanneer ze koorts hebben, slecht drinken, huilerig, prikkelbaar en suf zijn. Soms hebben ze ook diarree.

In malariagebieden moet elk kind met koorts direct naar een gezondheidswerker.

Heeft het kind malaria, dan moet het een volledige malariakuur krijgen. Een kind met koorts, vermoedelijk veroorzaakt door malaria, moet een kuur krijgen. Deze kuur bestaat uit anti-malaria tabletten en een antibioticum. De malariakuur moet direct aangevangen worden. Zelfs één dag uitstel kan fataal zijn. Gebruik alleen anti-malaria tabletten die door de gezondheidswerker voor het kind zijn voorgeschreven of meegegeven. Volg zorgvuldig alle adviezen op.

Iedereen die malaria heeft, moet altijd alle tabletten innemen die de gezondheidswerker voorschrijft of meegeeft.

Maak dus altijd de kuur volledig af. Het komt vaak voor dat mensen al na een paar dagen, als ze zich wat beter voelen, stoppen met de kuur. Dit is verkeerd. Als men niet alle pillen slikt, is er een groot gevaar dat de malariaparasieten niet dood zijn en dat de malaria weer de kop opsteekt, soms zelfs ernstiger dan de vorige keer. Slik daarom de tabletten door, ook al smaken ze vies en geven ze bijverschijnselen.

Zwangere vrouwen in malariagebieden moeten gedurende de hele zwangerschap anti-malaria tabletten gebruiken.

Voor zwangere vrouwen, in het bijzonder voor jonge vrouwen die zwanger zijn van hun eerste kind, is malaria erg gevaarlijk. Het kan ernstige gevolgen hebben zoals lage sahli, miskramen, te vroege geboorten en zelfs doodgeboren baby”s. Baby”s van moeders die malaria hebben, zijn meestal kleiner, hebben een lager geboortegewicht, zijn zwak en gevoeliger voor infecties. Deze baby”s kunnen ook met een handicap geboren worden.

Iedereen in een malariagebied moet onder een klamboe slapen, vooral jonge kinderen en zwangere vrouwen. Malaria kun je alleen door de prik van de malaria-muskiet krijgen. Alle leden van de gemeenschap, maar vooral kinderen, moeten beschermd worden tegen muskietenprikken. Dit kan op verschillende manier zoals:

  • Slapen of rusten onder een geďmproviseerde klamboe;

  • Gebruik van smoko-patu om muskieten te verjagen;

  • Het screenen van ramen en deuren;

  • Het dichten van kieren en gaatjes in muren, deuren en dak van de hutten;

  • Bespuiting van huizen en woonomgeving en in de buurt van de kostgrondjes;

  • Gebruik van huismiddeltjes, bijvoorbeeld het baden met bepaalde bittere kruiden.

De gemeenschap moet helpen malaria te bestrijden door bestaande broedplaatsen op te ruimen en nieuwe te voorkomen.

De malaria-muskiet broedt in stilstaand water. Dus water van bijboorbeeld: zwampen en moerassen, goten, tussen de plantbedden op de kostgrondjes, in ondergelopen rijstvelden en in de poelen die goudzoekers achterlaten. Ze broeden ook in het water dat zich na een regenbui verzamelt in voorwerpen zoals banden, cups en blikken, of water dat wordt achtergelaten in emmers en bekkens. Ook open regentonnen vormen een geschikte broedplaats.

Een kind met malaria heeft extra voeding en verzorging nodig.

Bij een kind met koorts moet de temperatuur omlaag gebracht worden door:

  • Baden of afnemen met natte lappen;

  • Het geven van koortsverlagende medicijnen (zoals paracetamol/calpol); het kind niet te warm kleden, alleen maar toedekken, ook al heeft het koude rillingen.

Mensen die naar het binnenland gaan, moeten zich beschermen tegen malaria.

Iemand die naar het binnenland moet en niet weet of er malaria in het gebied voorkomt, moet contact opnemen met de Anti-Malaria Campagne (A.M.C.), een afdeling van het Bureau Openbare Gezondheidszorg (B.O.G). Aan de hand van een kaart van Suriname wordt nagegaan of er malaria voorkomt of niet en of met een malariakuur moet worden begonnen of niet.

In het malariagebied moeten voorzorgmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat men door malariamuskieten wordt geprikt door:

  • Na zonsondergang een lange broek en lange mouw hemd aan te trekken;

  • Altijd onder een geďmproviseerde klamboe te slagen;

  • Zich insmeren met een insectenwerend middel;

  • Een houtvuurtje of ‘smoko patu’ maken om muskieten te verjagen.


Heilige van de Week

Z.Titus Brandsma

De lijdensweg van de martelaar pater Titus Brandsma heeft net een half jaar geduurd. 19 Januari 1942 werd hij gearresteerd door de Duitse bezetters van Nederland, 26 juli van dat jaar werd hij uiteindelijk met een spuitje afgemaakt in het concentratiekamp Dachau in Duitsland.

Het was in de Tweede Wereldoorlog 1940-1945. De onderdrukking van het Nederlandse volk door de Nazi’s van Duitsland werd van dag tot dag erger. Een van de punten waar dictators en onderdrukkers altijd bang voor zijn  is de vrije meningsuiting, zoals ook wij ervaren hebben in de beruchte revo-tijd 1980-1986. Het was op dit punt van de vrije meningsuiting dat pater Titus Brandsma werd opgepakt, opgesloten en naar de dood werd gevoerd.

Pater Brandsma was een markante persoonlijkheid in de r.k.kerk van Nederland. Professor aan de pas opgerichte katholieke universiteit van Nijmegen, adviseur van de Nederlandse bisschoppen, adviseur van de r.k. Journalistenvereniging en van tal van andere organisaties en verenigingen. Toen het nationaal-socialisme in Duitsland de kop opstak, had hij al heel gauw door hoe levensgevaarlijk deze leer was, niet alleen voor Joden, maar voor iedereen. Toen de Duitse legers Nederland onder de voet gelopen hadden werd het Nazisme ook aan dit volk opgelegd. Pater Titus opende van velen de ogen voor het gevaar  wat de mensen te wachten stond: onderdrukking, racisme, moord en doodslag. De vrijheid van meningsuiting werd van begin af aan bedreigd en de beperkingen die aan pers en radio werden opgelegd werden a.h.w met de dag strenger. Pater Brandsma waarschuwde onvermoeibaar over wat er nog verder gebeuren ging. Het was eigenlijk onvermijdelijk dat hij bij de Duitsers in de gaten liep en dat men hem kwam ophalen.

Na een nacht in de gevangenis van Arnhem werd Titus op 20 januari overgebracht naar de politiegevangenis van Scheveningen voor verhoor. Mocht hij eerst nog het idee hebben dat het allemaal wel mee zou vallen en dat men hem, ook met het oog op zijn zwakke gezondheid, zou vrijlaten, na zes weken cel, wordt de toon in zijn brieven wat ongeruster. Daar in de cel van de Haagse gevangenis leeft hij als een monnik. Die kille, kale cel wordt voor hem een heilige ruimte vol van Gods aanwezigheid. Hij schrijft er een ontroerend gedicht, waarvan enkele regels luiden: O laat mij hier maar stil alleen,/ het kil en koud zijn om mij heen / En laat geen mensen bij mij toe/ ‘t alleen zijn word ik hier niet moe./ Want Gij, o Jezus zijt bij mij./ ik was u nimmer zo nabij./ Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet:/ Uw bijzijn maakt mij alles goed. ( De volledige tekst van dit gedicht vindt U o.a. in het kerkboek ‘ Verheft Uw hart’ Blz.101).

Op 11 maart vertrekt hij naar het concentratiekamp Amersfoort, daarna naar de gevangenis in Kleve en dan het ergste: Dachau. Hij krijgt daar als nummer 30492. Nr. 30492 van blok 28 krijgt al gauw de speciale belangstelling van de kampbewaarders/beulen. Hij kan niet marcheren bij het ochtend- en avondappel, hij kan maar slecht meedoen met het werk op het veld om te oogsten, en hoe men hem ook uitscheldt, hij blijft altijd glimlachen. Regelmatig wordt hij afgeranseld als hij het tempo niet kan volgen of ook ‘zomaar’. Een paar weken duurt dat en dan is hij op. Hij komt terecht in de ziekenbarak. Dokters of wie daarvoor doorgingen gebruikten de patiënten voor hun medische experimenten. Op Titus worden malariabacteriën uitgeprobeerd. De verpleegster met wie hij elke dag te maken had, komt onder de indruk van zijn mildheid en overgave. Zij zal ook de erfgename worden van zijn laatste bezit, de rozenkrans. Op 26 juli geeft ze hem een injectie die een einde maakt aan zowel zijn lijdens- als zijn levensweg.

‘ Een gevaarlijk man’ is heengegaan, was de reactie van de leiding van het kamp.  Ja, ‘gevaarlijk’ wegens zijn eenvoud en oprechtheid, die als een gewetensspiegel werken. ‘Heengegaan’, ook dat, maar wel naar het Huis van zijn Heer, die hij in zijn cel zijn (Jezus zoet(  noemde. Titus Brandsma is door onze paus  in 1985 zalig verklaard. Hij wordt de patroon genoemd van de journalisten. Naar hem is ook een belangrijke onderscheiding genoemd, die elk jaar wordt uitgereikt aan die journalist die onder moeilijke omstandigheden heldhaftig zich is blijven inzetten voor de waarheid.


Kris Kras door de Bijbel

Vrouwen  bij het kruis

In de evangeliegetuigenissen die ons over het sterven van Jezus berichten, wordt met geen woord over de leerlingen gerept. Zij zijn gevlucht bij Jezus’ gevangenneming in de Hof van Olijven. We horen echter van Matteüs, Marcus en Lucas, dat op het moment van Jezus’ sterven aan het kruis wel vele vrouwen toekijken; vrouwen die hem vanuit Galilea zijn gevolgd. Zij zijn de getuigen geweest van Jezus’ leven en werken, samen met de apostelen; zij zijn de enige getuigen van zijn dood.

Marcus noemt drie vrouwen  die aanwezig zijn: Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus de jongere en van Joses, en Salome die waarschijnlijk de vrouw was van Zebedeüs en die de moeder was van Jacobus de Oudere en van Johannes. Bij Matteüs vinden we Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs, Salome.

Als Jezus gestorven is en door Jozef van Arimatea begraven wordt in het rotsgraf, zijn de leerlingen nog steeds afwezig. Opnieuw is er alleen sprake van enkele vrouwen, die de begrafenis bijwonen. Deze vrouwen weten dus waar Jezus begraven  ligt en kunnen zij op paasmorgen naar het graf gaan om te bevinden dat het graf leeg is.

Het lege graf

Ook in dit verhaal spelen vrouwen de hoofdrol. Het gaat weer om Maria Magdalena bij Matteüs, om Maria Magdalena, Maria en Salome bij  Marcus, en om Maria Magdalena en Johanna, de vrouw van Herodes’ rentmeester Chuzas bij Lucas.

Marcus zegt dat de vrouwen naar het graf gaan om Jezus’ lichaam te zalven. Dit zalven wil de grote verering uitdrukken die de vrouwen voor Jezus hadden. Het zalven van de dode is wel een joods gebruik, maar een dode zalven die al anderhalve dag begraven ligt, is niet gebruikelijk. Het willen zalven van Jezus’ lichaam heeft echter nog een andere functie: het bewijst dat de vrouwen tot in het graf zijn geweest en dus precies hebben kunnen vaststellen dat Jezus niet meer daar was.

Bij Matteüs is er geen sprake van zalven: de vrouwen gaan naar het graf kijken. Ze kunnen er trouwens niet binnen, want in Mt.27,66 staat dat het graf verzegeld was. De bekomernis die hierdoor wordt uitgedrukt ( namelijk de mogelijke beschuldiging dat anderen de steen wegrolden en Jezus’ lichaam wegnamen op voorhand weerleggen ( wordt ook geďllustreerd door de discussie van de vrouwen op hun weg naar het graf. Ze vragen zich af wie de steen zal wegrollen. Deze zware steen liet men in een vooraf gemaakte groef zakken en hij grendelde als het ware de grafkamer af. Gemakkelijk te verwijderen zal hij zeker niet geweest zijn, maar het moet te doen zijn geweest, omdat het graf al of niet regelmatig weer geopend werd om nieuwe doden te begraven.

Het verrijzenisgebeuren zelf wordt door de vrouwen niet waargenomen: zij zien slechts dat de steen is weggerold en stellen vast dat Jezus’ lichaam er niet meer is.

Zowel bij Matteüs als bij Marcus krijgen de vrouwen een boodschap van een engel mee. De verwondering, de ontsteltenis en de schrik van de vrouwen (bij Marcus zo sterk uitgedrukt dat de vrouwen wegvluchten en niets zeggen) zijn typische elementen in verschijningsverhalen van engelen. De ontvanger van de boodschap is altijd ‘ontsteld’ , ‘bang’. Denk maar aan de boodschap van de engel Gabriël aan Maria. Even typisch is het geruststellende antwoord  van de boodschapper: ‘vrees niet’. Het zwijgen van de vrouwen over wat ze gezien en gehoord hebben ( in weerwil van wat hen werd opgedragen ( past eveneens in het kader van typische reacties op goddelijke boodschappen.

We moeten er echter ook rekening mee houden dat de rol van de vrouwen als getuigen van Jezus’ sterven, begraven worden en verrezen-zijn al zeer groot is geweest. Het feit dat de vrouwen bij Marcus niets zeggen, zou dus ook te maken kunnen hebben met de eerder kleine rol die de leerlingen is toebedeeld. Doordat de vrouwen niets zeggen, wordt de verschijning van Jezus aan de leerlingen belangrijker: anders ( zo laat Marcus uitschijnen ( had misschien niemand er wat van geweten.

Bij Lucas zwijgen de vrouwen niet. Ze vertellen hun ervaringen aan de apostelen, die er echter geen woord van geloven. Dat de vrouwen achteraf toch gelijk krijgen, zet de belangrijke rol die Lucas aan de vrouwen als getuigen toekent, extra in de verf.

Belangrijk is nog de nadrukkelijke tijdsvermelding in Mc.16,1.3: (Toen de sabbat voorbij was . . . .In alle vroegte op de eerste dag van de week . . . .na zonsopgang(. Deze aanduidingen staan symbool voor de nieuwe tijd die aanbreekt: na de verrijzenis van Jezus breekt de tijd aan van de jonge kerk en zal het uitdragen van de boodschap over heel de wereld een aanvang nemen. Dat op dit sleutelmoment tussen verleden en toekomst juist vrouwen een belangrijke rol spelen, is opmerkelijk. In hun uitdrukkelijke aanwezigheid ligt de basis van de positie die vrouwen in de jonge christelijke gemeenschappen zullen innemen.

Op de brug tussen dood en herboren worden, staan vrouwen te kijken. Bij die overgang van ‘leven-doodgaan’ naar ‘herboren worden’ vertellen vrouwelijke getuigen het verhaal van de boodschap die nieuw leven wordt ingeblazen. Trouw tot in de dood? Neen, trouw tot nŕ de dood, zoals uit onze tekst bleek. Vrouwen geven hier hoop, verkondigen haast de nieuwe start, doordat ze de fijne draad tussen verleden en toekomst niet hebben verbroken.